donderdag 6 april 2017
Ik krijg het niet meer uitgelegd. Werkelijk niet meer. Jij wel?
Tranen voel ik... ze zwellen op in mijn ogen en rollen langs mijn wangen. Het is alsof ik geen lucht krijg en ik staar voor me uit.
Pas een paar minuten later merk ik dat mijn kinderen naar me kijken. "Mam, wat is er?" Ze schrikken. Mama huilt.
Ze willen naar me toelopen en snel druk ik de laptop dicht. Op de laptop het beeld van de vader in Syrië. Zijn naam is Abdel Hameed al- Youssef. De vader met zijn twee prachtige blonde kindjes in zijn armen. Aya en Ahmed. Zijn prachtige blonde dode kindjes...
Ik wil iets zeggen tegen mijn kinderen. Maar er komt niets. Dit beeld, dit verhaal, dit geweld... het is te heftig.
- Hoe verklaar ik dit?
Hoe leg ik dit uit aan mijn kinderen die zichzelf nog verliezen in Minecraft? Die geloven in de liefde, net als ik, maar dan nog vele malen puurder dan dat ik dat inmiddels doe. Omdat ze kind zijn.
- Kan ik mijn kinderen hier tegen beschermen?
- En moet ik dat wel willen?
Tegelijkertijd vraag ik me af hoe anderen hier mee omgaan. Ik huil om dit nieuws. Het raakt me diep. Hoe doen anderen dat? Hoe pakken anderen de dag weer op? En denken andere mensen daar ook aan als ze hun eigen kinderen knuffelen?
Ik krijg het niet meer uitgelegd. Werkelijk niet meer. Ik kom niet verder dan zinnen als "sommige mensen zijn gek geworden" en "de wereld is gek geworden".
Maar daarmee zeg ik iets over de mensen en over de wereld waarin mijn kinderen, onze kinderen, opgroeien. En wat ik niet wil, is angst zaaien. Ze voorbereiden op een wereld waarin we elkaar opblazen, vergiftigen, laten verhongeren en bestrijden met wapens.
Deze vader is niet alleen zijn kinderen verloren maar ook zijn vrouw en andere familieleden. Ze worden begraven in een massafamiliegraf. Hij vertelt er over aan een journalist. Zoveel respect voor deze vader. Abdel Hameed al-Youssef. Hij kan er woorden aan geven daar waar ik ze niet meer heb.
Het idee dat iemand vannacht wakker wordt van een luchtaanval en daarmee zijn naasten kwijtraakt...
In plaats daarvan maakte ik me eerder vandaag druk om andere dingen. De vaccinatie van mijn dochter. De waterpokken van de jongste. Situaties waar ik mee omga in de hectiek van alledag.
Waar deze vader mee worstelt, het verschrikkelijke leed dat hem (en vele anderen) overkomt, dat is iets om ons druk om te maken.
Dat is een probleem van ons allemaal.
Een probleem waar onze kinderen in opgroeien en waar ik me zorgen over maak.
En terwijl ik dit schrijf, kijk ik naar mijn kinderen en geef ze een knuffel en een kus op hun voorhoofd. Ik heb ze zo ontzettend lief... Dat is vandaag mijn antwoord. En morgen ook.
Meer woorden heb ik niet voor ze nu...
Jij wel?
maandag 20 maart 2017
Parttime ouderschap: Het beste van twee werelden?
Steeds meer ouders hanteren het co-ouderschap. Week op, week af. Halve week op hele week af. Om het weekend wisselen. Even en oneven weken. Vele variaties zijn mogelijk.
Steeds vaker hoor ik om me heen wat het voordeel daarvan is. Er worden columns over geschreven in trendy magazines. Steeds meer relaties stranden en steeds meer co-ouderschappen ontstaan. In de magazines en op de blogs wordt het, na de hobbels van de echtscheiding en het ouderschapsplan, omschreven als een heerlijkheid voor de ouder. Het klinkt bijna als reclame. Iets dat je ook wilt voor jezelf. Co-ouderschap.
- "Ik kom eindelijk weer aan mezelf toe".
- "Ik ontdek een kant van mezelf die ik helemaal niet kende".
- "Ik ben zo blij dat ik verlost ben van die zaterdagochtenden langs het voetbalveld".
- "Ik kan eindelijk weer uitslapen".
- "Tegen de tijd dat ik ze achter het behang plak, gaan ze naar hun vader".
De betreffende ouder plant allerlei "eigen" activiteiten om deze dagen heen. Zo ervaart de ouder enerzijds het ouderschap en anderzijds de autonomie om even los van het ouderschap "zijn of haar eigen ding te doen". En dat eigen ding dat kan van alles zijn. Een studie, het huishouden, uitstapjes, daten, overwerken, sauna etc.
Het past ook bij deze huidige tijd. Een tijd waarin de samenleving steeds individualistischer is geworden. Waarin er ruimte is voor de eigen behoeftevervulling van de volwassene. De ouder die niet langer wil zorgen en in relatie wil zijn met een ander (partner of kind) maar ook in brede zin bezig is met zelfontplooiing. De volwassene die een andere kant van zichzelf ontdekt of een andere 'rol' heeft op de dagen dat het niet 'moedert' of 'vadert'.
En tegelijkertijd vraag ik me dan af... was dit alles dan niet mogelijk binnen de relatie en binnen het ouderschap?
Zo ervaren de kinderen op de dagen dat ze bij deze ouder zijn een ouder die zich voor 200% inzet. Er is tijd voor elkaar en aandacht. Er worden vaker spelletjes gedaan en samen op de bank gehangen. Er worden soms uitzonderingen gemaakt qua bedtijd of met eten.
"bij je moeder eet je maar weer gezond".
Krijgen kinderen op die manier het beste van hun ouder te zien? Een gelukkigere ouder? Een bewustere ouder?
"ik wil de kinderen op de dagen dat ze bij mij zijn zoveel mogelijk liefde meegeven".
Er wordt deels onbewust zoveel gecompenseerd. Want als ouder wil je het nu eenmaal zo graag goed doen.
Kennen deze kinderen hun ouders echt? Ik weet het niet.
Er zijn kinderen die werkelijk geen idee hebben wat hun ouder doet in de periode dat ze daar niet zijn. En er zijn ouders die dat een prettig idee vinden.
Er zijn ouders die met elkaar hebben afgesproken hun gevoel van afscheid en missen niet mee te geven aan de kinderen omdat het ze zou schaden en in een loyaliteitsconflict zou brengen. Of die de afspraak hebben dat je de andere ouder niet kan bellen of appen omdat dat voor 'verwarring' zorgt.
Maar is dat eigenlijk zo?
Is het juist niet menselijker om te kunnen zeggen tegen je kind dat je het gemist hebt, dat je blij bent dat het er weer is?
Of dat je weet dat je kind altijd bij je terecht kan, of bij de andere ouder?
Zou het vroeger, voor het co-ouderschap anders geweest zijn?
Of zou een kind toen ook een voorkeursouder hebben gehad in het delen van pijntjes en verdriet?
Veel kinderen groeien op in twee werelden. Eentje bij mama en eentje bij papa. Het is iets van deze tijd. Het co-ouderschap. Een concept om in deze tijd van echtscheidingen de kinderen te delen. Ze zo optimaal mogelijk te laten opgroeien met beide ouders. Daar hebben kinderen namelijk recht op. Het is een logisch gevolg van iets dat misschien onvermijdelijk en onveranderlijk is, een liefdesbreuk tussen de ouders.
Krijgt het kind op deze manier het beste mee van twee werelden?
En wat is dat dan 'het beste'?
En nog belangrijker:
Hoe kan de volwassene hierin een voorbeeld zijn zodat deze kinderen opgroeien tot volledige mensen?
Hoe zou het eigenlijk zijn, als het gewoon een en dezelfde wereld zou zijn voor deze kinderen?
Is dat überhaupt mogelijk?
maandag 6 februari 2017
De familie Wallie, net als in de film.
Hij kwam naar de praktijk met zijn knuffel. Een lange jongen van tien jaar. Hij vond het spannend om te komen, daarom was zijn knuffel mee. Niet zomaar een knuffel maar zijn lievelingsknuffel. Het was een "Wallie", zoals in de film. Deze was gemaakt van spons. Hij kon in bad, maar dat deed hij nooit. De jongen vertelde me dat hij er nog meer heeft. Vier in totaal. Zo kun je ze niet allemaal kwijtraken en heb je altijd nog een reserve.
Deze Wallie wilde weten of ik te vertrouwen was, of ik wel echt lief was. Voorzichtig werd ik besnuffeld en getest. Ik vond Wallie meteen heel erg aardig en gaf hem een aai en een plekje in de praktijk. Zo kon hij alles goed in de gaten houden maar vooral ook op zijn baasje letten. Zijn baasje, de jongen van tien, durfde uiteindelijk te gaan spelen en Wallie kon ontspannen.
De week erna kwam de hele familie Wallie mee. Zij hadden van de andere Wallie gehoord dat ik lief was en nu wilden ze me allemaal ontmoeten, aldus de jongen. Ze wilden met mij knuffelen en de jongen vroeg of dat mocht. Ja! Het mocht. Op dat moment werd ik besprongen door vier enthousiaste Wallie sponsknuffels die mij allemaal in mijn nek knuffelden. Het rook naar slaapgeur... De Wallies waren smoezelig zoals alleen slaapknuffels dat zijn.
De keer daarop had de jongen de familie Wallie niet meegenomen. Ze wilden thuisblijven, zei hij.
Ik vroeg of hij ze de groeten wilde doen. Of nog beter of hij ze namens mij een knuffel wilde geven? Daar dacht de jongen even over na.
Hij kon dan kiezen tussen een echte knuffel van mij die hij weer door zou geven of tussen een gebarenknuffel die ik aan hem liet zien en die hij dan "mee naar huis nam".
De jongen dacht er lang over na.
Bij het weggaan omhelsde hij me. Zijn hoofd op mijn borst en zijn armen om mij heen. Het was een heerlijke knuffel. Toen zei hij "deze zal ik aan de Wallies geven".
Hij kwam naar de praktijk met zijn knuffel. Een lange jongen van tien jaar. Hij vond het spannend om te komen, daarom was zijn knuffel mee. Niet zomaar een knuffel maar zijn lievelingsknuffel. Het was een "Wallie", zoals in de film. Deze was gemaakt van spons. Hij kon in bad, maar dat deed hij nooit. De jongen vertelde me dat hij er nog meer heeft. Vier in totaal. Zo kun je ze niet allemaal kwijtraken en heb je altijd nog een reserve.
Deze Wallie wilde weten of ik te vertrouwen was, of ik wel echt lief was. Voorzichtig werd ik besnuffeld en getest. Ik vond Wallie meteen heel erg aardig en gaf hem een aai en een plekje in de praktijk. Zo kon hij alles goed in de gaten houden maar vooral ook op zijn baasje letten. Zijn baasje, de jongen van tien, durfde uiteindelijk te gaan spelen en Wallie kon ontspannen.
De week erna kwam de hele familie Wallie mee. Zij hadden van de andere Wallie gehoord dat ik lief was en nu wilden ze me allemaal ontmoeten, aldus de jongen. Ze wilden met mij knuffelen en de jongen vroeg of dat mocht. Ja! Het mocht. Op dat moment werd ik besprongen door vier enthousiaste Wallie sponsknuffels die mij allemaal in mijn nek knuffelden. Het rook naar slaapgeur... De Wallies waren smoezelig zoals alleen slaapknuffels dat zijn.
De keer daarop had de jongen de familie Wallie niet meegenomen. Ze wilden thuisblijven, zei hij.
Ik vroeg of hij ze de groeten wilde doen. Of nog beter of hij ze namens mij een knuffel wilde geven? Daar dacht de jongen even over na.
Hij kon dan kiezen tussen een echte knuffel van mij die hij weer door zou geven of tussen een gebarenknuffel die ik aan hem liet zien en die hij dan "mee naar huis nam".
De jongen dacht er lang over na.
Bij het weggaan omhelsde hij me. Zijn hoofd op mijn borst en zijn armen om mij heen. Het was een heerlijke knuffel. Toen zei hij "deze zal ik aan de Wallies geven".
woensdag 21 december 2016
Over een jongetje dat mij puzzelde...
In mijn praktijk kwam een jongetje dat mij puzzelde. Een geweldig joch, net 8 jaar. Mager en bleek, zo bleek zelfs dat hij soms doorzichtig leek. Grote, blije ogen. Hoopvol. En het jongetje puzzelde mij nogal.
Hij had zijn Ipad mee naar de praktijk en vertelde me alles over allerlei games en over wifi. Het aantal landjes dat hij op Minecraft had gemaakt met minstens zoveel bouwwerken was geniaal van opzet. In Minecraft kon hij wegrennen voor zombies en slachtte hij zo nu en dan een dier om op te eten. Er was een landje dat hij deelde met zijn buurjongen en zo konden ze samen spelen zonder samen te zijn.
Hij was langere tijd ziek geweest en daardoor een tijdje afhankelijk van anderen geworden. Doktoren die wel of geen goede bloeduitslagen doorgaven, ouders die hem verzorgden en alles wat wel of niet mocht bepaalden. Logisch en heel erg noodzakelijk. Een jongetje dat langere tijd zijn vriendjes buiten hoorde spelen en zelf op de bank moest liggen. Dat op een goede dag, alleen in de ochtend naar school kon. Dat soms wel naar een kinderfeestje mocht maar dan na een uurtje weer opgehaald werd. Een jongetje dat gewend was aan zijn Ipad als het speelgoed waar hij zich op "uit mocht leven". En dat voor zijn ontspanning mocht lezen in bed. Een geweldig jongetje met een gebrek aan energie en levenskracht.
Hij had echter een nieuw probleem... hij was nu weer beter!
En dat was best een groot probleem.
Hij zag immers nog net zo bleek en had weinig energie. Of juist even teveel waardoor hij dat er in een uur doorheen jaagde en dan twee dagen moest bijkomen. En hij was mager. Een dag minder eten was uitgesloten. Er moest gegeten worden.
Het jongetje kwam graag naar de praktijk en wilde erg graag spelen... vertelde hij... Hij wist alleen niet waarmee... of hoe...
Een paar dagen later liep ik na mijn werkdag mijn hond uit te laten. Een grote hond van 46 kilo die tot een jaar terug leed aan een zware allergie. Een allergie die hem van binnenuit zo ontzettend irriteerde dat hij tegen iedere andere hond snauwde en hapte. Al die tijd hield ik mijn hond strak aangelijnd en soms liep ik een stukje om zodat ik het risico op een incident vermeed.
En nu, omdat het al zolang weer goed gaat met mijn hond, besloot ik hem los te laten.
En er gebeurde... helemaal niets...
Mijn hond bleef net zo naast me lopen alsof hij nog aangelijnd was. Ik vertelde hem te gaan, gaf hem een por, ik rende een stukje... maar er veranderde niets. Aan het einde van het pad maakte ik hem weer vast aan de riem en zo liepen we samen naar huis.
En ik realiseerde me, dat dit een prachtige metafoor was voor het jongetje in mijn praktijk. Want hoe kun je vrijheid ervaren als je het helemaal niet voelt, als je misschien zelfs helemaal niet weet wat vrijheid is en wat dat voor jou betekent?
In mijn praktijk volgde er een emotioneel gesprek met zijn ouders over loslaten en over het vertrouwen kunnen hebben in je eigen kunnen (en nog niet kunnen). Over daar zelf verantwoordelijk voor mogen zijn en over grenzen aangeven. Over hoe erg het is als het een dag verkeerd gaat en hoe prettig het is als je iets doet dat je zo vermoeid maar je een ontzettend goed gevoel heeft gegeven. Na zo lang overbezorgd te moeten zijn, was ook het zorgen een uitdaging geworden.
Met het jongetje komt het goed. Inmiddels spelen we samen in de zandtafel. Met veel zand en veel water. We maken modder. Hele natte, vieze modder... want goede modder maken blijkt nog lastig te zijn. Dat vraagt namelijk een juiste balans tussen zand en water en dat lukt nu nog niet.
Monique Mooren
info@innerchild.nl
In mijn praktijk kwam een jongetje dat mij puzzelde. Een geweldig joch, net 8 jaar. Mager en bleek, zo bleek zelfs dat hij soms doorzichtig leek. Grote, blije ogen. Hoopvol. En het jongetje puzzelde mij nogal.
Hij had zijn Ipad mee naar de praktijk en vertelde me alles over allerlei games en over wifi. Het aantal landjes dat hij op Minecraft had gemaakt met minstens zoveel bouwwerken was geniaal van opzet. In Minecraft kon hij wegrennen voor zombies en slachtte hij zo nu en dan een dier om op te eten. Er was een landje dat hij deelde met zijn buurjongen en zo konden ze samen spelen zonder samen te zijn.
Hij was langere tijd ziek geweest en daardoor een tijdje afhankelijk van anderen geworden. Doktoren die wel of geen goede bloeduitslagen doorgaven, ouders die hem verzorgden en alles wat wel of niet mocht bepaalden. Logisch en heel erg noodzakelijk. Een jongetje dat langere tijd zijn vriendjes buiten hoorde spelen en zelf op de bank moest liggen. Dat op een goede dag, alleen in de ochtend naar school kon. Dat soms wel naar een kinderfeestje mocht maar dan na een uurtje weer opgehaald werd. Een jongetje dat gewend was aan zijn Ipad als het speelgoed waar hij zich op "uit mocht leven". En dat voor zijn ontspanning mocht lezen in bed. Een geweldig jongetje met een gebrek aan energie en levenskracht.
Hij had echter een nieuw probleem... hij was nu weer beter!
En dat was best een groot probleem.
Hij zag immers nog net zo bleek en had weinig energie. Of juist even teveel waardoor hij dat er in een uur doorheen jaagde en dan twee dagen moest bijkomen. En hij was mager. Een dag minder eten was uitgesloten. Er moest gegeten worden.
Het jongetje kwam graag naar de praktijk en wilde erg graag spelen... vertelde hij... Hij wist alleen niet waarmee... of hoe...
Een paar dagen later liep ik na mijn werkdag mijn hond uit te laten. Een grote hond van 46 kilo die tot een jaar terug leed aan een zware allergie. Een allergie die hem van binnenuit zo ontzettend irriteerde dat hij tegen iedere andere hond snauwde en hapte. Al die tijd hield ik mijn hond strak aangelijnd en soms liep ik een stukje om zodat ik het risico op een incident vermeed.
En nu, omdat het al zolang weer goed gaat met mijn hond, besloot ik hem los te laten.
En er gebeurde... helemaal niets...
Mijn hond bleef net zo naast me lopen alsof hij nog aangelijnd was. Ik vertelde hem te gaan, gaf hem een por, ik rende een stukje... maar er veranderde niets. Aan het einde van het pad maakte ik hem weer vast aan de riem en zo liepen we samen naar huis.
En ik realiseerde me, dat dit een prachtige metafoor was voor het jongetje in mijn praktijk. Want hoe kun je vrijheid ervaren als je het helemaal niet voelt, als je misschien zelfs helemaal niet weet wat vrijheid is en wat dat voor jou betekent?
In mijn praktijk volgde er een emotioneel gesprek met zijn ouders over loslaten en over het vertrouwen kunnen hebben in je eigen kunnen (en nog niet kunnen). Over daar zelf verantwoordelijk voor mogen zijn en over grenzen aangeven. Over hoe erg het is als het een dag verkeerd gaat en hoe prettig het is als je iets doet dat je zo vermoeid maar je een ontzettend goed gevoel heeft gegeven. Na zo lang overbezorgd te moeten zijn, was ook het zorgen een uitdaging geworden.
Met het jongetje komt het goed. Inmiddels spelen we samen in de zandtafel. Met veel zand en veel water. We maken modder. Hele natte, vieze modder... want goede modder maken blijkt nog lastig te zijn. Dat vraagt namelijk een juiste balans tussen zand en water en dat lukt nu nog niet.
Monique Mooren
info@innerchild.nl
woensdag 23 november 2016
Weet Sinterklaas zelf wel dat hij niet bestaat?
Mijn dochter gelooft al heel lang niet in Sinterklaas. Ze is acht jaar oud en heeft het altijd een beetje een raar verhaal gevonden.
Als we naar een intocht gingen met een Sinterklaas die er "niet zo echt" uitzag, vroeg ze als vierjarige al of we naar huis gingen. "Mam, dit is hem niet hoor. We gaan." En met haar goede geheugen zag ze direct dat de schoenen, de mijter of simpelweg de boot zelf, afweek van hoe het er op televisie uitzag.
Eigenlijk dacht ze dus heel lang dat er een echte Sinterklaas was en heel veel echt nep.
Dat is ook wat ik haar toen heb verteld. Dat het een mooi verhaal is van vroeger. Over een vrijgevige man Sint Nicolaas. Dat dat nu ieder jaar wordt nagespeeld om het ons te blijven herinneren. Dat het een traditie is.
Ze is ook boos geweest op Sinterklaas. Heel erg boos. Toen we hier in huis veel verdriet en verlies meemaakte, was daar opeens Sinterklaas. Die mankeerde helemaal niets! Die was zo oud dat niemand meer weet hoe oud hij is! Die loopt nog goed en is fit! En helemaal erg, hij heeft het eeuwige leven! Hij wel! Mijn kleine meisje was zo ontzettend kwaad op Sinterklaas. In die periode was ze woest op alles en iedereen. En ik begreep dat wel en vroeg me af of ik als ouder daar aan bij wilde dragen door iets in stand te houden. Het laatste wat ik wilde, vooral in de periode van verlies en verdriet, was tegen haar liegen. Want hoe vertel je een meisje dat haar vader is verloren, dat Sinterklaas wel bestaat?
We zijn samen gaan zitten en ik heb haar verteld hoe het zit, dat het een feest is bedacht door grote mensen. Over de oude Sint Nicolaas en over tradities.
Toen kwam er rust. Mijn grote, kleine meisje, werd weer rustig. Eerst veel tranen en daarna rust. Ze werd weer haar 'gewone zichzelf'.
Nu is het weer zover, deze periode van spanning en cadeautjes. Van verlanglijstjes maken tot in het oneindige, van haar schoen zetten en aan mij vragen wat ik er in ga doen. Van haar oudste broer die met zijn surprise in de weer is en haar jongste broertje die heel hard 'Klaas' roept bij iedere winkel met Sintversiering. Uitersten misschien en voor ons heel vertrouwd. En mijn meisje doet heerlijk mee. Zo goed zelfs dat ze zich van de week hardop afvroeg of Sinterklaas eigenlijk zelf wel weet dat hij niet bestaat.
Gister vertelde ze me dat ze besloten heeft om weer in Sinterklaas te geloven. Ze vertelde me dat ze dat leuker vindt voor zichzelf. Dat het dan een leuker feest voor haar is omdat al haar klasgenoten ook nog geloven.
In deze periode is het altijd even zoeken en samenzweren met haar om te kijken wat andere kinderen al weten en wie er met een gerust hart bij ons kan komen spelen. Of nog lastiger, zij bij hen. Want ook al weet ze dat het een soort van geheim is, op momenten dat ik niet in de buurt ben, deelt ze haar geheim graag met anderen. En dat snap ik wel.
Mijn dochter gelooft al heel lang niet in Sinterklaas. Ze is acht jaar oud en heeft het altijd een beetje een raar verhaal gevonden.
Als we naar een intocht gingen met een Sinterklaas die er "niet zo echt" uitzag, vroeg ze als vierjarige al of we naar huis gingen. "Mam, dit is hem niet hoor. We gaan." En met haar goede geheugen zag ze direct dat de schoenen, de mijter of simpelweg de boot zelf, afweek van hoe het er op televisie uitzag.
Eigenlijk dacht ze dus heel lang dat er een echte Sinterklaas was en heel veel echt nep.
Dat is ook wat ik haar toen heb verteld. Dat het een mooi verhaal is van vroeger. Over een vrijgevige man Sint Nicolaas. Dat dat nu ieder jaar wordt nagespeeld om het ons te blijven herinneren. Dat het een traditie is.
Ze is ook boos geweest op Sinterklaas. Heel erg boos. Toen we hier in huis veel verdriet en verlies meemaakte, was daar opeens Sinterklaas. Die mankeerde helemaal niets! Die was zo oud dat niemand meer weet hoe oud hij is! Die loopt nog goed en is fit! En helemaal erg, hij heeft het eeuwige leven! Hij wel! Mijn kleine meisje was zo ontzettend kwaad op Sinterklaas. In die periode was ze woest op alles en iedereen. En ik begreep dat wel en vroeg me af of ik als ouder daar aan bij wilde dragen door iets in stand te houden. Het laatste wat ik wilde, vooral in de periode van verlies en verdriet, was tegen haar liegen. Want hoe vertel je een meisje dat haar vader is verloren, dat Sinterklaas wel bestaat?
We zijn samen gaan zitten en ik heb haar verteld hoe het zit, dat het een feest is bedacht door grote mensen. Over de oude Sint Nicolaas en over tradities.
Toen kwam er rust. Mijn grote, kleine meisje, werd weer rustig. Eerst veel tranen en daarna rust. Ze werd weer haar 'gewone zichzelf'.
Nu is het weer zover, deze periode van spanning en cadeautjes. Van verlanglijstjes maken tot in het oneindige, van haar schoen zetten en aan mij vragen wat ik er in ga doen. Van haar oudste broer die met zijn surprise in de weer is en haar jongste broertje die heel hard 'Klaas' roept bij iedere winkel met Sintversiering. Uitersten misschien en voor ons heel vertrouwd. En mijn meisje doet heerlijk mee. Zo goed zelfs dat ze zich van de week hardop afvroeg of Sinterklaas eigenlijk zelf wel weet dat hij niet bestaat.
Gister vertelde ze me dat ze besloten heeft om weer in Sinterklaas te geloven. Ze vertelde me dat ze dat leuker vindt voor zichzelf. Dat het dan een leuker feest voor haar is omdat al haar klasgenoten ook nog geloven.
In deze periode is het altijd even zoeken en samenzweren met haar om te kijken wat andere kinderen al weten en wie er met een gerust hart bij ons kan komen spelen. Of nog lastiger, zij bij hen. Want ook al weet ze dat het een soort van geheim is, op momenten dat ik niet in de buurt ben, deelt ze haar geheim graag met anderen. En dat snap ik wel.
vrijdag 1 juli 2016
De jongen die niet langer groeide...
Toen hij bij mij in de praktijk kwam, was hij al bij de kinderarts geweest. Er was al bloed geprikt en onderzoek gedaan. Medisch gezien was er niets aan de hand. Behalve dat hij niet groeide. Maar dat kon de kinderarts niet oplossen.
In de praktijk kwam een jongen binnen, tien jaar, klein postuur en vooral ook een "kleine" stem. Een stem die wel past bij iemand van bijv. zeven jaar maar niet zo goed bij iemand van tien jaar. Hij praatte makkelijk en er leek in eerste instantie weinig aan de hand.
Na twee sessies vertelde hij mij over de nacht waarin opa dood ging. Twee jaar geleden. Precies de nacht dat hij een nachtmerrie had gehad en daardoor over zijn toeren bij zijn moeder in bed was gekropen.
Die nacht werd moeder gebeld door oma, waarna zij midden in de nacht naar het ziekenhuis vertrok. Omdat deze jongen zo lekker lag te slapen, volledig ontspannen en eindelijk bedaard van de nachtmerrie, heeft moeder hem laten liggen en niet gezegd dat ze wegging. De buurvrouw kwam oppassen en sliep beneden op de bank. En zo is de jongen 's morgens wakker geworden, alleen in het grote bed. Kort daarna kwam moeder thuis en vertelde het verdrietige nieuws over opa.
In een nacht was de wereld van deze jongen veranderd. Hij had vol overgave geslapen, in diepe rust en met het vertrouwen van zijn moeder naast hem en was wakker geworden om te ontdekken dat zijn allerliefste opa er niet meer is.
Soms gebeurt er dan iets om ons te beschermen. Om te zorgen dat we niet nogmaals zo diep geraakt kunnen worden. Want dat hele nare gevoel van toen, dat willen we nooit meer ervaren.
In de praktijk bespraken we hoe hij sliep en hoe dat dan precies ging. Ik belde even met zijn moeder en vroeg haar ook nog een aantal dingen over het slapen. Hij was regelmatig wakker 's nachts, en ook vaak moe overdag.
Zou het kunnen, heel misschien, dat deze jongen, ergens onbewust het besluit heeft genomen om vanaf dat moment alleen nog in waakstand te slapen? Zodat hij op ieder moment wakker zou worden, van ieder geluidje en iedere beweging?
In de sessies besteedden we veel aandacht aan het verlies van opa en de manier waarop dat was gegaan. De heftigheid van het moment lieten we keer op keer voorbij komen tot de heftigheid minder werd. Met doorzettingsvermogen en verbeeldingskracht kon deze jongen zijn eigen heftige ervaring herschrijven. En zo werd het overlijden van zijn allerliefste opa een nare gebeurtenis waar hij over kon vertellen.
Na een paar sessies vertelde moeder dat haar zoon beter begon te slapen.
En na zeven sessies was hij al een centimeter gegroeid. Zijn stem klonk als een tienjarige en ook had hij grotere schoenen nodig.
Niet lang daarna was hij klaar in de praktijk. Klaar om verder te groeien en groot te worden.
Toen hij bij mij in de praktijk kwam, was hij al bij de kinderarts geweest. Er was al bloed geprikt en onderzoek gedaan. Medisch gezien was er niets aan de hand. Behalve dat hij niet groeide. Maar dat kon de kinderarts niet oplossen.
In de praktijk kwam een jongen binnen, tien jaar, klein postuur en vooral ook een "kleine" stem. Een stem die wel past bij iemand van bijv. zeven jaar maar niet zo goed bij iemand van tien jaar. Hij praatte makkelijk en er leek in eerste instantie weinig aan de hand.
Na twee sessies vertelde hij mij over de nacht waarin opa dood ging. Twee jaar geleden. Precies de nacht dat hij een nachtmerrie had gehad en daardoor over zijn toeren bij zijn moeder in bed was gekropen.
Die nacht werd moeder gebeld door oma, waarna zij midden in de nacht naar het ziekenhuis vertrok. Omdat deze jongen zo lekker lag te slapen, volledig ontspannen en eindelijk bedaard van de nachtmerrie, heeft moeder hem laten liggen en niet gezegd dat ze wegging. De buurvrouw kwam oppassen en sliep beneden op de bank. En zo is de jongen 's morgens wakker geworden, alleen in het grote bed. Kort daarna kwam moeder thuis en vertelde het verdrietige nieuws over opa.
In een nacht was de wereld van deze jongen veranderd. Hij had vol overgave geslapen, in diepe rust en met het vertrouwen van zijn moeder naast hem en was wakker geworden om te ontdekken dat zijn allerliefste opa er niet meer is.
Soms gebeurt er dan iets om ons te beschermen. Om te zorgen dat we niet nogmaals zo diep geraakt kunnen worden. Want dat hele nare gevoel van toen, dat willen we nooit meer ervaren.
In de praktijk bespraken we hoe hij sliep en hoe dat dan precies ging. Ik belde even met zijn moeder en vroeg haar ook nog een aantal dingen over het slapen. Hij was regelmatig wakker 's nachts, en ook vaak moe overdag.
Zou het kunnen, heel misschien, dat deze jongen, ergens onbewust het besluit heeft genomen om vanaf dat moment alleen nog in waakstand te slapen? Zodat hij op ieder moment wakker zou worden, van ieder geluidje en iedere beweging?
In de sessies besteedden we veel aandacht aan het verlies van opa en de manier waarop dat was gegaan. De heftigheid van het moment lieten we keer op keer voorbij komen tot de heftigheid minder werd. Met doorzettingsvermogen en verbeeldingskracht kon deze jongen zijn eigen heftige ervaring herschrijven. En zo werd het overlijden van zijn allerliefste opa een nare gebeurtenis waar hij over kon vertellen.
Na een paar sessies vertelde moeder dat haar zoon beter begon te slapen.
En na zeven sessies was hij al een centimeter gegroeid. Zijn stem klonk als een tienjarige en ook had hij grotere schoenen nodig.
Niet lang daarna was hij klaar in de praktijk. Klaar om verder te groeien en groot te worden.
donderdag 12 mei 2016
Leren vallen, valt wel mee.
Ieder kind moet leren vallen. Letterlijk en figuurlijk.
Er zijn kinderen die in het hoogste klimrek klimmen om zich dan te realiseren dat ze ook weer naar beneden moeten. Je hebt kinderen die eerst een weg uitstippelen en dan stapje voor stapje doordacht naar boven gaan om op dezelfde wijze weer af te dalen. Er zijn ook kinderen die er niet eens aan beginnen, zij kijken even... maken een inschatting en besluiten niet te gaan.
Al deze kinderen moeten leren vallen, letterlijk. Vallen doet pijn, het zorgt voor kapotte knieën, schaafwonden en tranen. Soms valt het vallen mee. Kind valt, trekt een gezicht om vervolgens op te staan en veerkrachtig te roepen "valt wel mee hoor".
Leren vallen, valt wel mee.
Veel volwassenen zijn bang dat kinderen vallen. Letterlijk en figuurlijk.
De drie meest gebruikte uitspraken van een ouder zijn: "pas op", "kijk uit" en "doe voorzichtig".
Goed bedoelde uitspraken die weliswaar negatief geformuleerd, een goede intentie behelzen. Voorkomen dat een kind valt. Bijzonder eigenlijk dat we dit doen door taal te gebruiken die anders suggereert.
"Pas op... kijk uit... en doe voorzichtig."
Zo geven we dagelijks onze eigen angst mee aan onze kinderen.
De kinderen bovenin het klimrek zullen zich hier niet veel van aantrekken. Zij zijn immers al boven, het is al gelukt. Doeners, achteraf bedenkend dat het best hoog is. Zij zijn ook de kinderen die makkelijk vallen. Met makkelijk bedoel ik dat het kinderen zijn die dat gewoon doen, vallen. Kapotte knie, schaafwond, tranen en snot om vervolgens opnieuw het klimrek in te klimmen. Zij kunnen vallen en opstaan.
Andere kinderen bedenken van te voren dat ze kunnen vallen. Dit bepaalt mede of ze gaan klimmen of niet. Dat laatste heeft met zelfvertrouwen en behendigheid te maken.
Vallen is in de meeste gevallen makkelijk en iets dat je goed alleen kunt doen. Opstaan daarentegen, daar kun je als kind (en later als volwassene) best wat hulp bij gebruiken. Het is aan ons, volwassenen, om kinderen te stimuleren om hun grenzen te verleggen en te gaan klimmen.
Vallen doet pijn. Opstaan soms ook. Dan liever samen, leren vallen en opstaan.
Ieder kind moet leren vallen. Letterlijk en figuurlijk.
Er zijn kinderen die in het hoogste klimrek klimmen om zich dan te realiseren dat ze ook weer naar beneden moeten. Je hebt kinderen die eerst een weg uitstippelen en dan stapje voor stapje doordacht naar boven gaan om op dezelfde wijze weer af te dalen. Er zijn ook kinderen die er niet eens aan beginnen, zij kijken even... maken een inschatting en besluiten niet te gaan.
Al deze kinderen moeten leren vallen, letterlijk. Vallen doet pijn, het zorgt voor kapotte knieën, schaafwonden en tranen. Soms valt het vallen mee. Kind valt, trekt een gezicht om vervolgens op te staan en veerkrachtig te roepen "valt wel mee hoor".
Leren vallen, valt wel mee.
Veel volwassenen zijn bang dat kinderen vallen. Letterlijk en figuurlijk.
De drie meest gebruikte uitspraken van een ouder zijn: "pas op", "kijk uit" en "doe voorzichtig".
Goed bedoelde uitspraken die weliswaar negatief geformuleerd, een goede intentie behelzen. Voorkomen dat een kind valt. Bijzonder eigenlijk dat we dit doen door taal te gebruiken die anders suggereert.
"Pas op... kijk uit... en doe voorzichtig."
Zo geven we dagelijks onze eigen angst mee aan onze kinderen.
De kinderen bovenin het klimrek zullen zich hier niet veel van aantrekken. Zij zijn immers al boven, het is al gelukt. Doeners, achteraf bedenkend dat het best hoog is. Zij zijn ook de kinderen die makkelijk vallen. Met makkelijk bedoel ik dat het kinderen zijn die dat gewoon doen, vallen. Kapotte knie, schaafwond, tranen en snot om vervolgens opnieuw het klimrek in te klimmen. Zij kunnen vallen en opstaan.
Andere kinderen bedenken van te voren dat ze kunnen vallen. Dit bepaalt mede of ze gaan klimmen of niet. Dat laatste heeft met zelfvertrouwen en behendigheid te maken.
Vallen is in de meeste gevallen makkelijk en iets dat je goed alleen kunt doen. Opstaan daarentegen, daar kun je als kind (en later als volwassene) best wat hulp bij gebruiken. Het is aan ons, volwassenen, om kinderen te stimuleren om hun grenzen te verleggen en te gaan klimmen.
Vallen doet pijn. Opstaan soms ook. Dan liever samen, leren vallen en opstaan.
donderdag 28 januari 2016
Gewoon nee... altijd en overal.
In de praktijk komt hij bij mij omdat hij angsten heeft. School maakt zich zorgen. Hij kiest altijd voor veilig, vertrouwd, speelgoed dat hij al kent. Werkjes maakt hij niet, dat weigert hij. Best knap voor iemand met angsten. Blijkbaar is het werkje wèl maken nog enger dan de juf die dwingend naar je kijkt.
Bij mij speelt hij niet. Hij kijkt. Hij pakt speelgoed, houdt het vast... voelt en legt het terug. Precies zoals het lag.
Zijn ouders vertellen over hem. Over hoe hij 'nee' zegt op alles. 'Nee' tegen chocoladecake versieren, 'nee' tegen een ijsje halen. Nee, gewoon nee... altijd en overal.
Na twee sessies begint hij te vertellen aan mij. Over jongens in de klas die ruzie maken, schreeuwen en plagen. Niet tegen hem hoor, zegt hij, hij is namelijk onzichtbaar. Dat heeft hij geleerd. Ik zie het ook als hij in de praktijk rondloopt. Geluidloos, bijna op zijn tenen...
Als hij praat, is het een waterval aan woorden. Gespannen en met teveel kracht komt het eruit. Zijn stem klinkt broos. Zijn ogen branden in die van mij. Hij wil zo graag begrepen worden. Zijn ogen roepen...
Ik zie hem, hij mag er zijn. Op zijn manier, in zijn tempo.
Het kasteel dat hij bouwt laat veel zien. Ramen open, deuren open. Iedereen mag naar binnen. Ik plaats er wachters voor, echte ridders. Hij schiet ze neer en gooit er bommen op. Weg bewaking.
Er is een koning in het kasteel. Hij slaapt, zegt hij. Hij let nooit op en is geen baas. Het is een suffe koning.
Ik ben nieuwsgierig. Ik weet nog niet waarom de koning suf is. Ik weet nog niet hoe de koning zo suf is geworden.
In de tussentijd heb ik een hek om het kasteel gezet. Uit voorzorg. Een bordje eraan met 'niet betreden' en 'verboden'. Hij vond het overdreven, niet nodig ook... Het mag best stukgemaakt worden door andere kinderen, dat begrijpt hij wel, zegt hij. Ik niet, zeg ik, vandaar het hek.
Er komt een dag dat hij het ook begrijpt maar nu nog even niet.
donderdag 7 januari 2016
De stomste en de minst aardige...
Daar kwam ze binnen. Vijftien jaar, een groot meisje, een jonge vrouw.
Zwarte sweater met een skinny jeans. Capuchon op en haar lange blonde haren voor haar gezicht. Handen in haar mouwen verstopt en haar mobieltje prominent op de leuning van de stoel.
Kauwgom kauwend keek ze me aan. Ze vond me stom, zei ze. En ik zei dat dat oké was.
Ze ging zeker niet in therapie, dat was ook stom. Ze had wel een probleem... en nog een afspraak bij een collega, want ze bepaalde toch zeker zelf bij wie ze dat probleem op ging lossen. Ik gaf haar groot gelijk en wenste haar succes. "Laat het me maar weten als je wilt komen." Ik kreeg een vernietigende blik en ik keek naar haar met liefde.
Een week later kwam ze weer. Ze vertelde me allereerst dat ze me nog steeds stom vond en helemaal niet aardig. En ik zei dat ik dat wel begreep. Mijn collega was veel aardiger, vertelde ze, maar die was te lief... dat ging haar niet helpen. Ze had iemand nodig die haar probleem aankon en ze dacht dat ik dat was. De stomste en de minst aardige. Het was oké...
Dit grote meisje, deze jonge vrouw, verstopte zich in haar sweater. Ze beschermde zichzelf met zwarte kleren en zwarte make-up, met een boze blik en een enorme aandacht voor haar mobieltje.
En zo zaten we, soms kletsten we wat en soms waren we stil. Tussen de sessies door appte ze me soms met muziek die haar raakte en ik stuurde haar dan iets terug, een quote of gedicht.
Het meisje bewoog steeds meer naar voren en begon te vertellen over alles dat haar bezighield. Het groot worden, haar ouders, haar veranderende lijf, jongens... pff...
Langzaamaan kwam er kleur in haar leven. Het begon met haar lippen, er zat lipgloss op. Haar haar zat opeens anders en haar capuchon bleef af. Ze maakte oogcontact en hield haar mobiel in haar zak. Keek nog wel even als hij trilde maar er hoefde niet meer direct gereageerd te worden.
Na acht sessies was ze klaar. Ze vertelde het me opgewekt toen ze binnenkwam.
En ik... ik kan haar alleen maar dankbaar zijn voor het vertrouwen dat ze in zichzelf had om het aan te gaan en voor de nuances die ze aanbracht in de sessies... en in haar leven.
Monique Mooren
www.innerchild.nl
Daar kwam ze binnen. Vijftien jaar, een groot meisje, een jonge vrouw.
Zwarte sweater met een skinny jeans. Capuchon op en haar lange blonde haren voor haar gezicht. Handen in haar mouwen verstopt en haar mobieltje prominent op de leuning van de stoel.
Kauwgom kauwend keek ze me aan. Ze vond me stom, zei ze. En ik zei dat dat oké was.
Ze ging zeker niet in therapie, dat was ook stom. Ze had wel een probleem... en nog een afspraak bij een collega, want ze bepaalde toch zeker zelf bij wie ze dat probleem op ging lossen. Ik gaf haar groot gelijk en wenste haar succes. "Laat het me maar weten als je wilt komen." Ik kreeg een vernietigende blik en ik keek naar haar met liefde.
Een week later kwam ze weer. Ze vertelde me allereerst dat ze me nog steeds stom vond en helemaal niet aardig. En ik zei dat ik dat wel begreep. Mijn collega was veel aardiger, vertelde ze, maar die was te lief... dat ging haar niet helpen. Ze had iemand nodig die haar probleem aankon en ze dacht dat ik dat was. De stomste en de minst aardige. Het was oké...
Dit grote meisje, deze jonge vrouw, verstopte zich in haar sweater. Ze beschermde zichzelf met zwarte kleren en zwarte make-up, met een boze blik en een enorme aandacht voor haar mobieltje.
En zo zaten we, soms kletsten we wat en soms waren we stil. Tussen de sessies door appte ze me soms met muziek die haar raakte en ik stuurde haar dan iets terug, een quote of gedicht.
Het meisje bewoog steeds meer naar voren en begon te vertellen over alles dat haar bezighield. Het groot worden, haar ouders, haar veranderende lijf, jongens... pff...
Langzaamaan kwam er kleur in haar leven. Het begon met haar lippen, er zat lipgloss op. Haar haar zat opeens anders en haar capuchon bleef af. Ze maakte oogcontact en hield haar mobiel in haar zak. Keek nog wel even als hij trilde maar er hoefde niet meer direct gereageerd te worden.
Na acht sessies was ze klaar. Ze vertelde het me opgewekt toen ze binnenkwam.
En ik... ik kan haar alleen maar dankbaar zijn voor het vertrouwen dat ze in zichzelf had om het aan te gaan en voor de nuances die ze aanbracht in de sessies... en in haar leven.
Monique Mooren
www.innerchild.nl
zondag 31 mei 2015
Kinderkoffie.
"Doe mij maar koffie", zegt de achtjarige jongen in de praktijk. "Met melk en suiker, zoals mijn vader dat drinkt." Kinderkoffie.
De jongen roert aandachtig door zijn koffie, hij morst en veegt het met zijn mouw weer weg. Het lepeltje wordt op de rand van het kopje getikt en daarna naast het kopje gelegd. Deze jongen is een kei in observeren. Deze jongen heeft bij zijn vader afgekeken.
Hij wil later net als zijn vader worden. Hij is namelijk al helemaal zelf een hut aan het bouwen in de tuin. Of ik ook een keer langskom, dan mag ik in de hut.
De eerste keren zitten we keurig aan de tafel terwijl hij door zijn koffie roert. Tja, wat zullen we eens gaan doen? Geen idee.
We doen wat spelletjes, volgens de regels. We spelen met het zand, met de hark en de schep, nee niet met onze handen... dan worden we vies. We bekijken het speelgoed, vooral de legertanks. Hij vindt ze prachtig maar we spelen niet. Jammer... Ik wilde wel legertje spelen maar dat gaat niet want hij houdt niet van schieten. We zitten weer aan tafel, niet erop want dat mag niet... Wat zullen we nu gaan spelen? Geen idee.
De keer daarop komt hij binnen. Ik zet alvast koffie voor hem. Zodra ik het heb neergezet, tik ik hem aan. "Tikkie, jij bent hem." We doen tikkertje in de praktijk. Dan zet ik de deur open en gaan we verder op de gang. Wat een geluk dat ik twee deuren heb, we rennen in rondjes. Linksom en rechtsom, soms botsen we tegen elkaar. We komen andere mensen tegen. Ze lachen om ons. "Tikkie, jij bent hem..."
Na een tijdje ploffen we allebei neer op het kleed. De jongen kijkt blij, ik kan nu goed zien hoe jong hij eigenlijk nog is. We lachen. Hij lacht heel hard, ontlaadt... Hij heeft zoveel lol dat zijn moeder het hoort in de wachtruimte. Een lach die zij al veel te lang heeft gemist. Een prachtig hartverwarmend lachen. Heerlijk, hij kan bijna niet meer stoppen en rolt over de grond. Ik lach met hem mee.
En terwijl hij daar ligt te lachen, zeg ik dat zijn koffie koud is geworden. Hij zegt: "dat geeft niet, ik hou namelijk helemaal niet van koffie."
donderdag 19 februari 2015
Zolang je er bovenop zit, kan iemand niet groeien.
Het klinkt simpel. Het is ook simpel.
Toch maak ik in mijn praktijk voor kindertherapie en jongerencoaching zeer regelmatig mee dat ouders er bovenop zitten. Op het nest als het ware. Met de eierschalen en de jongen er nog in. Stel je eens voor dat je zo moet groeien... broertjes en zusjes in het nest, ouder er bovenop. Stel je eens voor dat je zo moet leren vliegen. Dat gaat dus niet.
En daar zit het probleem. Deze ouder beschermt zijn kroost vanuit liefde. Over-bescherming in de hoop te voorkomen dat het mis gaat. Het (op-)groeien dus... want dat kan mis gaan.
En dat is nu precies wat de ouder eigenlijk doet, onbedoeld weliswaar; zijn kroost de kans ontnemen om het mis te laten gaan. Fouten te maken, vele fouten. Stommiteiten uit te halen, consequenties in te schatten, verantwoordelijkheid te nemen... op te groeien. Met als gevolg dat het mis gaat, daar waar het de bedoeling was dat het goed zou gaan.
In mijn praktijk spreek ik bijna dagelijks met opgroeiende jongeren. Zij worstelen precies zoals gewoon is, met levensvragen. De betekenis van alles. De veelheid aan verwachtingen die er zijn. De toekomst. Faalangst, Groei-angst, letterlijke angst om groot te worden.
Deze jongeren hebben een grote gemeenschappelijke deler; de beschermende ouder die in alles 'het beste wil' voor zijn kind. Om dat te kunnen geven aan je kind, moet je eerst (her-)definiëren wat 'het beste is'.
Het beste is namelijk niet: het voorkomen van tegenslag, een fulltime geluksgevoel, in alles voorzien.
Zoals een puber in de praktijk dreigt weg te lopen van huis als ze geen iphone 6 krijgt. Of zoals een inmiddels voor de wet volwassene zijn ouders vraagt hem een huis te geven, dan zal hij vertrekken. Daar gaat het dus mis, althans... daar is het jaren eerder al mis gegaan. Want waar in dit verhaal heeft de betreffende jong volwassene geleerd over het leven zelf? Over dat niets vanzelfsprekend is? Over dat je niet het stralende middelpunt van de wereld bent? Over intrinsieke motivatie en het nemen van verantwoordelijkheid?
Zou het niet veel handiger geweest zijn, om erger te voorkomen, dat deze jongere al eerder het nest uit had gemogen? Figuurlijk... Om verder te kijken? Te leren vliegen en vooral ook te leren vallen, of bijna vallen?
Het zou er wellicht ook voor zorgen dat deze jong volwassene zijn ouders ook meer zou toevertrouwen. Meer zou delen over zijn leven. Want wat deze ouder vaak niet weet, is dat het kroost een andere uitgang heeft gevonden om uit het nest te komen. En dat er zich een heel leven buiten het nest afspeelt, zonder dat de ouder dat weet. En nog erger... zonder dat het kroost goed voorbereid is om daarmee om te gaan.
Als er onder in het nest een gat wordt gemaakt om toch dat eigen leven te leiden, is de kans om te vallen vele malen groter.
Voorbereiding dus op het leven zelf... dat is wat nodig is om te groeien.
Of zoals de jong volwassene die nu eindelijk een baantje moest vinden van zijn ouders en daar volkomen vrij in werd gelaten (want 18 jaar geworden en vanaf vandaag regel je het maar zelf), als barkeeper op een fetisj- feest terecht kwam en niet wist wat hem overkwam. Dat is vast niet wat deze ouders voor ogen hadden toen ze hem goedbedoeld eindelijk het nest uitduwden nadat ze er 18 jaar bovenop hadden gezeten.
Leren vliegen kost tijd en niet alleen voor degene die vliegt.
Het klinkt simpel. Het is ook simpel.
Toch maak ik in mijn praktijk voor kindertherapie en jongerencoaching zeer regelmatig mee dat ouders er bovenop zitten. Op het nest als het ware. Met de eierschalen en de jongen er nog in. Stel je eens voor dat je zo moet groeien... broertjes en zusjes in het nest, ouder er bovenop. Stel je eens voor dat je zo moet leren vliegen. Dat gaat dus niet.
En daar zit het probleem. Deze ouder beschermt zijn kroost vanuit liefde. Over-bescherming in de hoop te voorkomen dat het mis gaat. Het (op-)groeien dus... want dat kan mis gaan.
En dat is nu precies wat de ouder eigenlijk doet, onbedoeld weliswaar; zijn kroost de kans ontnemen om het mis te laten gaan. Fouten te maken, vele fouten. Stommiteiten uit te halen, consequenties in te schatten, verantwoordelijkheid te nemen... op te groeien. Met als gevolg dat het mis gaat, daar waar het de bedoeling was dat het goed zou gaan.
In mijn praktijk spreek ik bijna dagelijks met opgroeiende jongeren. Zij worstelen precies zoals gewoon is, met levensvragen. De betekenis van alles. De veelheid aan verwachtingen die er zijn. De toekomst. Faalangst, Groei-angst, letterlijke angst om groot te worden.
Deze jongeren hebben een grote gemeenschappelijke deler; de beschermende ouder die in alles 'het beste wil' voor zijn kind. Om dat te kunnen geven aan je kind, moet je eerst (her-)definiëren wat 'het beste is'.
Het beste is namelijk niet: het voorkomen van tegenslag, een fulltime geluksgevoel, in alles voorzien.
Zoals een puber in de praktijk dreigt weg te lopen van huis als ze geen iphone 6 krijgt. Of zoals een inmiddels voor de wet volwassene zijn ouders vraagt hem een huis te geven, dan zal hij vertrekken. Daar gaat het dus mis, althans... daar is het jaren eerder al mis gegaan. Want waar in dit verhaal heeft de betreffende jong volwassene geleerd over het leven zelf? Over dat niets vanzelfsprekend is? Over dat je niet het stralende middelpunt van de wereld bent? Over intrinsieke motivatie en het nemen van verantwoordelijkheid?
Zou het niet veel handiger geweest zijn, om erger te voorkomen, dat deze jongere al eerder het nest uit had gemogen? Figuurlijk... Om verder te kijken? Te leren vliegen en vooral ook te leren vallen, of bijna vallen?
Het zou er wellicht ook voor zorgen dat deze jong volwassene zijn ouders ook meer zou toevertrouwen. Meer zou delen over zijn leven. Want wat deze ouder vaak niet weet, is dat het kroost een andere uitgang heeft gevonden om uit het nest te komen. En dat er zich een heel leven buiten het nest afspeelt, zonder dat de ouder dat weet. En nog erger... zonder dat het kroost goed voorbereid is om daarmee om te gaan.
Als er onder in het nest een gat wordt gemaakt om toch dat eigen leven te leiden, is de kans om te vallen vele malen groter.
Voorbereiding dus op het leven zelf... dat is wat nodig is om te groeien.
Of zoals de jong volwassene die nu eindelijk een baantje moest vinden van zijn ouders en daar volkomen vrij in werd gelaten (want 18 jaar geworden en vanaf vandaag regel je het maar zelf), als barkeeper op een fetisj- feest terecht kwam en niet wist wat hem overkwam. Dat is vast niet wat deze ouders voor ogen hadden toen ze hem goedbedoeld eindelijk het nest uitduwden nadat ze er 18 jaar bovenop hadden gezeten.
Leren vliegen kost tijd en niet alleen voor degene die vliegt.
maandag 3 juni 2013
Samen spelen, samen delen.
In de kinderopvang en het onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van nietszeggende mantra's. Ze komen voort uit aantrekkelijke korte rijmteksten die zo makkelijk blijven 'hangen' bij de kinderen.
'Samen spelen, samen delen', is er ook zo een.
Als je de ontwikkelingspsychologie er op na leest, dan ontdek je al snel dat het jonge kind (lees; t/m ongeveer 5 a 6 jaar) niet samen hoeft te delen omdat de ontwikkeling tot dan toe daar niet op gericht is.
De ontwikkeling van het jonge kind is namelijk gericht op zichzelf en dat is goed! 'Dit ben ik, dat hoort bij mij, dat is mijn broer, mijn fiets, mijn appel... Mijn'!
De ontwikkeling is er ook op gericht om een ik-ander differentiatie op gang te brengen. M.a.w. 'dat is van mij en dat is van jou'. Daar kun je als jong kind een geheel eigen interpretatie van hebben en ook dat klopt met de gemiddelde ontwikkeling.
Een mooi voorbeeld hiervan is een meisje van 4 bij de kleuters dat in de kring wil kiezen waar ze gaat spelen. Al snel is de bouwhoek bezet. Zij reageert met: "dat kan niet want daar ga ik al in". Zij had in de kring reeds bedacht dat zij daar ging spelen, al voordat juf het vroeg. In haar beleving is dat de werkelijkheid. In haar werkelijkheid kan de bouwhoek niet bezet zijn zonder haar want dat had zij bedacht. Iets kan dus van haar zijn, zonder dat ze dat hardop deelt.
Vervolgens is het logisch dat dit jonge meisje in die bouwhoek naast een ander kindje zit te spelen en dat deze 2 kinderen zich helemaal niet bemoeien met elkaar. Na afloop zal ze zeggen dat ze leuk heeft gespeeld met het betreffende kindje. Zo werkt dat ook als je 2 bent of 3 of 4 (of 5 of 6).
Samen spelen, samen delen is gericht op het uitnodigen tot samenspel en op het voorkomen van conflicten. Met dit laatste ontneem je het kind een uitgelezen, prachtige kans om te laten weten aan een ander dat hij/zij het oneens is met iets. 'Ik was er eerst mee', of 'jij mag daar niet mee want ik heb deze van Sinterklaas gehad en jij niet', 'ik wil niet met jou spelen, ik vind jou stom'. Volkomen gezond gedrag.
Overigens vind ik het ook heel gezond gedrag als je ouder bent. Alleen als je ouder wordt, verandert het samen delen, of juist niet, in een keuzemogelijkheid die je hebt. Je kunt delen maar je hoeft het niet te doen. Het is belangrijk om als kind al vroeg te leren je grenzen aan te geven en tijdig je 'hekje' neer te zetten. Op die manier loopt een ander niet je metaforische tuintje plat.
Ouders vinden dat meestal ingewikkeld. Zij vinden dat je de ander niet stom mag vinden en dat je je allermooiste speelgoed moet delen met je broertje. Hiermee lijkt het alsof ze dat zelf ook willen, de ouders, dat samen spelen, samen delen. Heb je net de nieuwste telefoon, moet je hem delen met de buurvrouw. Of de lease-auto waar je een jaar op hebt gewacht, daar wil jouw broer ook even in rijden. Tja... lastig.
Ouders handelen vaak d.m.v. aangeleerd gedrag vanuit een pedagogische kijk naar 'het kind', denk aan opvoedprogramma's, consultatiebureau's, kinderopvang en onderwijs. Pedagogische adviezen die ouders leren 'hoe het hoort'. Ouders zouden vaker nee kunnen zeggen, net als hun kind... krijgen ze zelfvertrouwen van! En dat is volkomen gezond gedrag.
In de kinderopvang en het onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van nietszeggende mantra's. Ze komen voort uit aantrekkelijke korte rijmteksten die zo makkelijk blijven 'hangen' bij de kinderen.
'Samen spelen, samen delen', is er ook zo een.
Als je de ontwikkelingspsychologie er op na leest, dan ontdek je al snel dat het jonge kind (lees; t/m ongeveer 5 a 6 jaar) niet samen hoeft te delen omdat de ontwikkeling tot dan toe daar niet op gericht is.
De ontwikkeling van het jonge kind is namelijk gericht op zichzelf en dat is goed! 'Dit ben ik, dat hoort bij mij, dat is mijn broer, mijn fiets, mijn appel... Mijn'!
De ontwikkeling is er ook op gericht om een ik-ander differentiatie op gang te brengen. M.a.w. 'dat is van mij en dat is van jou'. Daar kun je als jong kind een geheel eigen interpretatie van hebben en ook dat klopt met de gemiddelde ontwikkeling.
Een mooi voorbeeld hiervan is een meisje van 4 bij de kleuters dat in de kring wil kiezen waar ze gaat spelen. Al snel is de bouwhoek bezet. Zij reageert met: "dat kan niet want daar ga ik al in". Zij had in de kring reeds bedacht dat zij daar ging spelen, al voordat juf het vroeg. In haar beleving is dat de werkelijkheid. In haar werkelijkheid kan de bouwhoek niet bezet zijn zonder haar want dat had zij bedacht. Iets kan dus van haar zijn, zonder dat ze dat hardop deelt.
Vervolgens is het logisch dat dit jonge meisje in die bouwhoek naast een ander kindje zit te spelen en dat deze 2 kinderen zich helemaal niet bemoeien met elkaar. Na afloop zal ze zeggen dat ze leuk heeft gespeeld met het betreffende kindje. Zo werkt dat ook als je 2 bent of 3 of 4 (of 5 of 6).
Samen spelen, samen delen is gericht op het uitnodigen tot samenspel en op het voorkomen van conflicten. Met dit laatste ontneem je het kind een uitgelezen, prachtige kans om te laten weten aan een ander dat hij/zij het oneens is met iets. 'Ik was er eerst mee', of 'jij mag daar niet mee want ik heb deze van Sinterklaas gehad en jij niet', 'ik wil niet met jou spelen, ik vind jou stom'. Volkomen gezond gedrag.
Overigens vind ik het ook heel gezond gedrag als je ouder bent. Alleen als je ouder wordt, verandert het samen delen, of juist niet, in een keuzemogelijkheid die je hebt. Je kunt delen maar je hoeft het niet te doen. Het is belangrijk om als kind al vroeg te leren je grenzen aan te geven en tijdig je 'hekje' neer te zetten. Op die manier loopt een ander niet je metaforische tuintje plat.
Ouders vinden dat meestal ingewikkeld. Zij vinden dat je de ander niet stom mag vinden en dat je je allermooiste speelgoed moet delen met je broertje. Hiermee lijkt het alsof ze dat zelf ook willen, de ouders, dat samen spelen, samen delen. Heb je net de nieuwste telefoon, moet je hem delen met de buurvrouw. Of de lease-auto waar je een jaar op hebt gewacht, daar wil jouw broer ook even in rijden. Tja... lastig.
Ouders handelen vaak d.m.v. aangeleerd gedrag vanuit een pedagogische kijk naar 'het kind', denk aan opvoedprogramma's, consultatiebureau's, kinderopvang en onderwijs. Pedagogische adviezen die ouders leren 'hoe het hoort'. Ouders zouden vaker nee kunnen zeggen, net als hun kind... krijgen ze zelfvertrouwen van! En dat is volkomen gezond gedrag.
maandag 4 maart 2013
Stop hou op.
Op veel scholen wordt er een soort mantra aangeleerd als het gaat om grenzen aan geven. Veel kinderen roepen "stop hou op, ik wil het niet".
Dit begint bij de kleuters. Juf leert het kind om "stop hou op ik wil het niet", te zeggen.
Bij een observatie in een kleuterklas hoor ik links en rechts kinderen dit zeggen. Als ik kijk naar wat er eigenlijk gebeurd, dan zie ik een jongetje dat per ongeluk op de verkeerde plek is gaan zitten, hij zoekt een plekje. Ik zie een meisje dat aan een ketting van een ander meisje komt, ze raakt het voorzichtig aan, ze vindt het mooi. Beide kinderen worden beantwoord met een "stop hou op ik wil het niet". Het jongetje schrikt en gaat snel op een andere plek zitten, is dit het goede stoeltje?
Het meisje laat snel de ketting los, had ze het soms stuk gemaakt? Haar lip trilt.
Er is een slogan ontstaan, een rijmzinnetje (handig voor de inprenting) dat op sociaal wenselijke wijze wordt ingezet en geautomatiseerd. "Hoor eens juf, hoe goed ik 'stop hou op' zeg".
In het tafereel dat ik waarneem, ontbreekt iedere interactie, er is geen oogcontact, geen dialoog. Alleen die woorden...
Welke betekenis hebben de woorden 'stop hou op' als een kind leert deze te gebruiken bij alles dat hij niet wil?
Want wat wil het kind dan precies niet? En weet dat kind dat eigenlijk zelf al, of is de eerste aangeleerde reactie gewoon om deze mantra uit te spreken... uit automatisme.
Ik schat in dat die oudste kleuter begrip had voor het jongetje dat net op school was en per ongeluk het verkeerde stoeltje koos. Ik vermoed ook dat het meisje trots was op haar kettinkje en blij was dat haar vriendinnetje het ook mooi vond. En terwijl de woorden die gesproken werden 'stop hou op', lege woorden waren... gebeurde er toch iets vervelends. Beide kinderen voelden zich zichtbaar te kort gedaan en afgewezen.
Hoe anders had dat kunnen zijn als er eerst oogcontact was gemaakt. Zie je mij? Ja, ik zie jou. Oké. Je bent op het verkeerde stoeltje gaan zitten, dit is mijn plek. Daar is jouw plek.
Zie je mij? Ja, ik zie jou. Deze ketting is nieuw, mooi hè. Ja. Wil je er afblijven alsjeblieft? Ja.
Resultaat is hetzelfde; andere plek, niet aan de ketting komen... Echter het jongetje en het meisje zijn nog dezelfde kinderen als daarvoor.
Dat de 'stop hou op' regel nietszeggend kan zijn, heb ik ook in mijn praktijk meegemaakt.
Een jongen van 10 jaar was op school belaagd door drie andere jongens. Hij had geschreeuwd, gehuild, 'nee' gezegd... steeds weer. Hij was echter 1 mantra vergeten, hij had geen 'stop hou op' gezegd.
De jongens die hem belaagden, waren geconditioneerd, getraind, op deze woorden. Ze hadden het niet gehoord en hij had het ook niet gezegd. "Als hij dat gezegd zou hebben, dan waren we zeker gestopt", zeiden ze later tegen de leerkracht.
Hoe anders was het geweest als deze jongens, zijn klasgenoten nota bene, hadden gekeken naar het gezicht van deze jongen, naar de emotie... waren ze dan doorgegaan? Wat als ze zijn 'nee' hadden gehoord en de wanhoop in zijn stem. Was het dan anders geweest?
Had het een verschil gemaakt?
Voor deze jongen wel. Nu was hij de jongen die belaagd was èn ook de jongen die niet duidelijk was geweest. Hij had gewoon 'stop hou op' moeten zeggen...
'Hoe stom kun je zijn?' En hoe stom kun je je voelen?
'Dat je zelfs dat niet hebt gedaan, terwijl je dat al vanaf de kleuters hebt meegekregen.'
Afgewezen voelt hij zich, niet gezien... en zeker niet gehoord.
Eindeloos kunnen we doorgaan met het aanleren van cognitieve gedragsaspecten. De ene mantra nog mooier dan de ander: 'samen spelen, samen delen', 'stop hou op ik wil het niet' en: 'Als je niets aardigs kunt zeggen, zeg dan niets'.
Laten we weer naar het kind gaan kijken, nieuwsgierig worden naar zijn gedachten, gevoelens en zijn handelen. Laten we het kind weer zien zoals hij is, met zijn eigen manier van communiceren, zodat we hier van kunnen leren.
Want: 'van communiceren kun je leren'. Klinkt al een stuk beter.
Op veel scholen wordt er een soort mantra aangeleerd als het gaat om grenzen aan geven. Veel kinderen roepen "stop hou op, ik wil het niet".
Dit begint bij de kleuters. Juf leert het kind om "stop hou op ik wil het niet", te zeggen.
Bij een observatie in een kleuterklas hoor ik links en rechts kinderen dit zeggen. Als ik kijk naar wat er eigenlijk gebeurd, dan zie ik een jongetje dat per ongeluk op de verkeerde plek is gaan zitten, hij zoekt een plekje. Ik zie een meisje dat aan een ketting van een ander meisje komt, ze raakt het voorzichtig aan, ze vindt het mooi. Beide kinderen worden beantwoord met een "stop hou op ik wil het niet". Het jongetje schrikt en gaat snel op een andere plek zitten, is dit het goede stoeltje?
Het meisje laat snel de ketting los, had ze het soms stuk gemaakt? Haar lip trilt.
Er is een slogan ontstaan, een rijmzinnetje (handig voor de inprenting) dat op sociaal wenselijke wijze wordt ingezet en geautomatiseerd. "Hoor eens juf, hoe goed ik 'stop hou op' zeg".
In het tafereel dat ik waarneem, ontbreekt iedere interactie, er is geen oogcontact, geen dialoog. Alleen die woorden...
Welke betekenis hebben de woorden 'stop hou op' als een kind leert deze te gebruiken bij alles dat hij niet wil?
Want wat wil het kind dan precies niet? En weet dat kind dat eigenlijk zelf al, of is de eerste aangeleerde reactie gewoon om deze mantra uit te spreken... uit automatisme.
Ik schat in dat die oudste kleuter begrip had voor het jongetje dat net op school was en per ongeluk het verkeerde stoeltje koos. Ik vermoed ook dat het meisje trots was op haar kettinkje en blij was dat haar vriendinnetje het ook mooi vond. En terwijl de woorden die gesproken werden 'stop hou op', lege woorden waren... gebeurde er toch iets vervelends. Beide kinderen voelden zich zichtbaar te kort gedaan en afgewezen.
Hoe anders had dat kunnen zijn als er eerst oogcontact was gemaakt. Zie je mij? Ja, ik zie jou. Oké. Je bent op het verkeerde stoeltje gaan zitten, dit is mijn plek. Daar is jouw plek.
Zie je mij? Ja, ik zie jou. Deze ketting is nieuw, mooi hè. Ja. Wil je er afblijven alsjeblieft? Ja.
Resultaat is hetzelfde; andere plek, niet aan de ketting komen... Echter het jongetje en het meisje zijn nog dezelfde kinderen als daarvoor.
Dat de 'stop hou op' regel nietszeggend kan zijn, heb ik ook in mijn praktijk meegemaakt.
Een jongen van 10 jaar was op school belaagd door drie andere jongens. Hij had geschreeuwd, gehuild, 'nee' gezegd... steeds weer. Hij was echter 1 mantra vergeten, hij had geen 'stop hou op' gezegd.
De jongens die hem belaagden, waren geconditioneerd, getraind, op deze woorden. Ze hadden het niet gehoord en hij had het ook niet gezegd. "Als hij dat gezegd zou hebben, dan waren we zeker gestopt", zeiden ze later tegen de leerkracht.
Hoe anders was het geweest als deze jongens, zijn klasgenoten nota bene, hadden gekeken naar het gezicht van deze jongen, naar de emotie... waren ze dan doorgegaan? Wat als ze zijn 'nee' hadden gehoord en de wanhoop in zijn stem. Was het dan anders geweest?
Had het een verschil gemaakt?
Voor deze jongen wel. Nu was hij de jongen die belaagd was èn ook de jongen die niet duidelijk was geweest. Hij had gewoon 'stop hou op' moeten zeggen...
'Hoe stom kun je zijn?' En hoe stom kun je je voelen?
'Dat je zelfs dat niet hebt gedaan, terwijl je dat al vanaf de kleuters hebt meegekregen.'
Afgewezen voelt hij zich, niet gezien... en zeker niet gehoord.
Eindeloos kunnen we doorgaan met het aanleren van cognitieve gedragsaspecten. De ene mantra nog mooier dan de ander: 'samen spelen, samen delen', 'stop hou op ik wil het niet' en: 'Als je niets aardigs kunt zeggen, zeg dan niets'.
Laten we weer naar het kind gaan kijken, nieuwsgierig worden naar zijn gedachten, gevoelens en zijn handelen. Laten we het kind weer zien zoals hij is, met zijn eigen manier van communiceren, zodat we hier van kunnen leren.
Want: 'van communiceren kun je leren'. Klinkt al een stuk beter.
zaterdag 29 december 2012
Oud en nieuw; over afscheid nemen.
"Oma was oud, toch mama?" Ja.
"De baby van ... (vriendin) was nieuw." Ja.
Stilte, denken, peinzen... En dan...
"Hoe kunnen oud en nieuw dan allebei doodgaan?"
Goede vraag. Hoe kunnen oud en nieuw dan allebei doodgaan?
De directheid raakt me, niet verwacht. Ook mooi, zuiver... Ze maakt me deelgenoot van haar gedachten. Haar eigen kleine rouwproces dat zich nu al een paar weken voor mijn ogen, in het hart en in ons huis afspeelt.
Haar oma is dood en dat doet pijn. We spelen 'begrafenis' in de huiskamer en lopen langzaam achter elkaar. Hoeden op en hoeden af. We groeten. Ze heeft goed opgelet bij de begrafenis en op de begraafplaats vraagt ze waar oma's parkeerplaats is. Bij iedere steen vraagt ze wie daar woont. Ze is puur... Ze rouwt.
Met Sinterklaas schreeuwt ze het uit. Sint moet het weten van oma. De Sint is lief en zegt dat er in de hemel ook pieten zijn. Ik ben de Sint dankbaar en mijn kleine meisje wordt rustig.
Haar geknutselde ster op school draagt een wens, ze wenst dat haar mama, ik, nog niet doodgaat. Thuis vraagt ze of ik bloemen wil en muziek en of zij mijn horloge mag hebben want die wil ze graag. Ja, ik wil bloemen, muziek en ja, mijn horloge is voor jou. Mijn lieve kleine meisje is opeens een stukje ouder geworden.
De dagen beginnen en eindigen met oma. Ze droomt over oma in de nacht, dat is het moment waarop ze bij me in bed kruipt, moe en met koude voetjes. Ik hou haar vast, troost en we slapen samen verder.
Met kerst tovert ze oma erbij, "voor nep.." zegt ze. "Waar is oma nu?" Ze heeft oma in haar hart getoverd. In haar kamer hoor ik haar tegen de knuffels praten over oma. Alle K3 liedjes heeft ze veranderd en zijn nu oma liedjes. Het huis ademt oma en dat is fijn.
Mijn kleine meisje heeft het rouwen draaglijk gemaakt voor ons allemaal.
"Dat vuurwerk mama, gaat dat allemaal naar oma?" Ja, oma hield van vuurwerk. "Ze kan het goed zien hè vanuit de hemel!" Ja, oma zit op de eerste rij.
"Naast de baby?" Misschien wel...
"Dan is het echt oud en nieuw toch, mama?"
Ja lief, dan is het echt oud en nieuw.
"Oma was oud, toch mama?" Ja.
"De baby van ... (vriendin) was nieuw." Ja.
Stilte, denken, peinzen... En dan...
"Hoe kunnen oud en nieuw dan allebei doodgaan?"
Goede vraag. Hoe kunnen oud en nieuw dan allebei doodgaan?
De directheid raakt me, niet verwacht. Ook mooi, zuiver... Ze maakt me deelgenoot van haar gedachten. Haar eigen kleine rouwproces dat zich nu al een paar weken voor mijn ogen, in het hart en in ons huis afspeelt.
Haar oma is dood en dat doet pijn. We spelen 'begrafenis' in de huiskamer en lopen langzaam achter elkaar. Hoeden op en hoeden af. We groeten. Ze heeft goed opgelet bij de begrafenis en op de begraafplaats vraagt ze waar oma's parkeerplaats is. Bij iedere steen vraagt ze wie daar woont. Ze is puur... Ze rouwt.
Met Sinterklaas schreeuwt ze het uit. Sint moet het weten van oma. De Sint is lief en zegt dat er in de hemel ook pieten zijn. Ik ben de Sint dankbaar en mijn kleine meisje wordt rustig.
Haar geknutselde ster op school draagt een wens, ze wenst dat haar mama, ik, nog niet doodgaat. Thuis vraagt ze of ik bloemen wil en muziek en of zij mijn horloge mag hebben want die wil ze graag. Ja, ik wil bloemen, muziek en ja, mijn horloge is voor jou. Mijn lieve kleine meisje is opeens een stukje ouder geworden.
De dagen beginnen en eindigen met oma. Ze droomt over oma in de nacht, dat is het moment waarop ze bij me in bed kruipt, moe en met koude voetjes. Ik hou haar vast, troost en we slapen samen verder.
Met kerst tovert ze oma erbij, "voor nep.." zegt ze. "Waar is oma nu?" Ze heeft oma in haar hart getoverd. In haar kamer hoor ik haar tegen de knuffels praten over oma. Alle K3 liedjes heeft ze veranderd en zijn nu oma liedjes. Het huis ademt oma en dat is fijn.
Mijn kleine meisje heeft het rouwen draaglijk gemaakt voor ons allemaal.
"Dat vuurwerk mama, gaat dat allemaal naar oma?" Ja, oma hield van vuurwerk. "Ze kan het goed zien hè vanuit de hemel!" Ja, oma zit op de eerste rij.
"Naast de baby?" Misschien wel...
"Dan is het echt oud en nieuw toch, mama?"
Ja lief, dan is het echt oud en nieuw.
maandag 26 november 2012
Leren leren, hoe ingewikkeld kan het zijn?
Mensen worden geboren met een natuurlijke nieuwsgierigheid.
Deze nieuwsgierigheid wordt ingezet om te begrijpen en te willen ontwikkelen: woorden, beelden, emoties, interactie, kennis, vaardigheden.
Zo zal een baby een nieuw speeltje in de box bekijken, betasten, en na enige tijd... of juist meteen, in de mond stoppen.
Om te kunnen leren moet er allereerst aan basisbehoeften als veiligheid en vertrouwen worden voldaan om de randvoorwaarden om te kunnen leren te garanderen.
Diezelfde baby heeft het dus nodig om gehecht te zijn, om liefde, vertrouwen en veiligheid te ervaren.
Daarnaast is er een natuurlijke ontwikkelingslijn. Deze kun je langs de ontwikkeling van bijv. een schoolkind, levensfase of life-event leggen, en dan kun je een inschatting maken over het verloop van het leren.
Dat is ook de reden dat de baby uit het voorbeeld, het speeltje in de mond stopt, dat past bij de ontwikkelingsfase.
Om een inschatting te kunnen maken over hetgeen geleerd kan gaan worden, moet je weten wat de beginsituatie is, het startpunt. Van daaruit kun je een leerstrategie bepalen, zowel voor de geoefende autodidact als de leerkracht voor de leerling.
Belangrijk daarbij is om te weten wat de leerstijl is van de lerende, hoe leert de ander optimaal?
Want:
- Sluit deze lesstof aan bij die natuurlijke behoefte om te leren?
(Is dit wat ik wil leren, op dit moment, op deze manier.)
- Voelt iemand zich senang genoeg om zich lerend op te stellen?
- Straalt de ander vertrouwen uit?
- Heeft de lerende, vertrouwen in het eigen leerproces?
(Ik kan dit leren, met jou, op dit moment.)
- Zijn er voldoende prikkelende leermiddelen?
- Is de leeromgeving uitnodigend?
(Hier gaat het gebeuren, hier kan ik iets leren.)
Bovenstaande vragen zijn een noodzakelijk instrument voor leerkracht en leerling om te leren van, met en aan elkaar. Leren leren.
Er is inzicht nodig in je eigen leerproces, de stappen die je neemt tijdens het leren. Of dat nu in een bewust gecreëerde context is of dat het hier over terloops leren gaat, inzicht in je eigen leerproces is belangrijk om je te ontwikkelen.
Nieuwsgierigheid blijkt uit het formuleren van vragen die iemand aanzetten tot het nadenken over het leren zelf. Een terugkerend moment van bezinning en reflectie is nodig om te komen tot ontwikkeling.
Bezinning en reflectie van beide kanten, de leerkracht en de leerling.
Zoals een schoolkind, groep 4, eens tegen zijn juf zei; "ik wil nog wel even doorgaan met rekenen, als u dat helpt om het te begrijpen".
De leerkracht en de leerling. Verrassend is om te bemerken wie wie is.
De grootmeester komt vaak in kleine gedaanten.
Mensen worden geboren met een natuurlijke nieuwsgierigheid.
Deze nieuwsgierigheid wordt ingezet om te begrijpen en te willen ontwikkelen: woorden, beelden, emoties, interactie, kennis, vaardigheden.
Zo zal een baby een nieuw speeltje in de box bekijken, betasten, en na enige tijd... of juist meteen, in de mond stoppen.
Om te kunnen leren moet er allereerst aan basisbehoeften als veiligheid en vertrouwen worden voldaan om de randvoorwaarden om te kunnen leren te garanderen.
Diezelfde baby heeft het dus nodig om gehecht te zijn, om liefde, vertrouwen en veiligheid te ervaren.
Daarnaast is er een natuurlijke ontwikkelingslijn. Deze kun je langs de ontwikkeling van bijv. een schoolkind, levensfase of life-event leggen, en dan kun je een inschatting maken over het verloop van het leren.
Dat is ook de reden dat de baby uit het voorbeeld, het speeltje in de mond stopt, dat past bij de ontwikkelingsfase.
Om een inschatting te kunnen maken over hetgeen geleerd kan gaan worden, moet je weten wat de beginsituatie is, het startpunt. Van daaruit kun je een leerstrategie bepalen, zowel voor de geoefende autodidact als de leerkracht voor de leerling.
Belangrijk daarbij is om te weten wat de leerstijl is van de lerende, hoe leert de ander optimaal?
Want:
- Sluit deze lesstof aan bij die natuurlijke behoefte om te leren?
(Is dit wat ik wil leren, op dit moment, op deze manier.)
- Voelt iemand zich senang genoeg om zich lerend op te stellen?
- Straalt de ander vertrouwen uit?
- Heeft de lerende, vertrouwen in het eigen leerproces?
(Ik kan dit leren, met jou, op dit moment.)
- Zijn er voldoende prikkelende leermiddelen?
- Is de leeromgeving uitnodigend?
(Hier gaat het gebeuren, hier kan ik iets leren.)
Bovenstaande vragen zijn een noodzakelijk instrument voor leerkracht en leerling om te leren van, met en aan elkaar. Leren leren.
Er is inzicht nodig in je eigen leerproces, de stappen die je neemt tijdens het leren. Of dat nu in een bewust gecreëerde context is of dat het hier over terloops leren gaat, inzicht in je eigen leerproces is belangrijk om je te ontwikkelen.
Nieuwsgierigheid blijkt uit het formuleren van vragen die iemand aanzetten tot het nadenken over het leren zelf. Een terugkerend moment van bezinning en reflectie is nodig om te komen tot ontwikkeling.
Bezinning en reflectie van beide kanten, de leerkracht en de leerling.
Zoals een schoolkind, groep 4, eens tegen zijn juf zei; "ik wil nog wel even doorgaan met rekenen, als u dat helpt om het te begrijpen".
De leerkracht en de leerling. Verrassend is om te bemerken wie wie is.
De grootmeester komt vaak in kleine gedaanten.
vrijdag 23 november 2012
Kleuters en Cito-toetsen, een contra-indicatie!
Kleuters en Cito-toetsen gaan niet samen. De iets oudere kleuter, wel te verstaan de 5 of 6 jarige, is daar namelijk helemaal niet aan toe. Deze kleuter heeft een eigen leerstijl, een voorkeur om zichzelf iets eigen te maken en dat is heel gewoon. Want hoe heeft dit jonge kind leren praten, lopen, fietsen, tekenen etc.?
De Cito-toetsen daarentegen, zijn gemaakt voor de analytische denkers, de "hoofd" mensen, de denkers vanuit het platte vlak (abstraheren). En dat werkt niet bij kleuters. Overigens werkt dat bij vele kinderen en volwassenen niet, gewoon omdat het niet overeenkomt met hun eigen leerstijl.
Het gaat bij jonge kinderen om het spel, over identificeren, over de context. Over magisch denken. Al het spelen is leren, leren over de klas, de kinderen, de leerkracht, het spel, het materiaal, de school, de wereld om het kind heen, alles is leren. Leren wie het kind zelf is, ik en de ander. Identificeren en differentiëren.
Het spelen is; het voorbereiden op en het naspelen van het leven zelf!
Om een Cito-toets te kunnen maken, is er dus voor een groot aantal kleuters aanpassingsvermogen nodig. Zij hebben zich aan te passen aan de leerstijl van Cito, dit terwijl Cito een middel is en nooit een doel op zich! Het vraagt anders handelen dan vanuit hun natuurlijke voorkeur van leren, de eigen leerstijl. Dus i.p.v. de blokken stapelen en kijken welke het dikste is, moet deze kleuter het aankruisen in een boekje. Evenals het langste potlood, het kleinste, de meeste of de minste.
Allemaal vragen die we, de volwassenen, beantwoord kunnen krijgen door mee te gaan in die bouwhoek en daar nieuwsgierig te zijn. Huishoek, zandtafel, verteltafel... het kan ons zoveel waardevolle informatie geven over wat kinderen al weten en over hoe zij het leven tegemoet gaan, vanuit welke leervoorkeur zij het leven leren. Alles wat de volwassene moet doen, is nieuwsgierig zijn en nog niet weten, niet interpreteren, alleen waarnemen.
En dat is lastig. Want veel volwassenen kijken vanuit hun eigen beperkte gezichtsveld, de groepsnormen, pedagogische overtuigingen, verwachtingen vanuit de directie of politiek.
Niets van dat helpt het kind dat het leven leert.
De kleuter die het leven leert, hoeft zich nog niet aan te passen aan de verwachtingen van de volwassenen.
Hij kan zich vaak ook nog niet aanpassen en dat is maar goed ook!
Het enige dat deze kleuter nodig heeft, is dat je hem helpt het leven te leren, te vertrouwen en te helpen begrijpen.
Wat zou het geweldig zijn voor diezelfde kleuter, als we zouden waarnemen wat zijn leerstijl is en hem daar op uitnodigen het leven te leren!
Kleuters en Cito-toetsen gaan niet samen. De iets oudere kleuter, wel te verstaan de 5 of 6 jarige, is daar namelijk helemaal niet aan toe. Deze kleuter heeft een eigen leerstijl, een voorkeur om zichzelf iets eigen te maken en dat is heel gewoon. Want hoe heeft dit jonge kind leren praten, lopen, fietsen, tekenen etc.?
De Cito-toetsen daarentegen, zijn gemaakt voor de analytische denkers, de "hoofd" mensen, de denkers vanuit het platte vlak (abstraheren). En dat werkt niet bij kleuters. Overigens werkt dat bij vele kinderen en volwassenen niet, gewoon omdat het niet overeenkomt met hun eigen leerstijl.
Het gaat bij jonge kinderen om het spel, over identificeren, over de context. Over magisch denken. Al het spelen is leren, leren over de klas, de kinderen, de leerkracht, het spel, het materiaal, de school, de wereld om het kind heen, alles is leren. Leren wie het kind zelf is, ik en de ander. Identificeren en differentiëren.
Het spelen is; het voorbereiden op en het naspelen van het leven zelf!
Om een Cito-toets te kunnen maken, is er dus voor een groot aantal kleuters aanpassingsvermogen nodig. Zij hebben zich aan te passen aan de leerstijl van Cito, dit terwijl Cito een middel is en nooit een doel op zich! Het vraagt anders handelen dan vanuit hun natuurlijke voorkeur van leren, de eigen leerstijl. Dus i.p.v. de blokken stapelen en kijken welke het dikste is, moet deze kleuter het aankruisen in een boekje. Evenals het langste potlood, het kleinste, de meeste of de minste.
Allemaal vragen die we, de volwassenen, beantwoord kunnen krijgen door mee te gaan in die bouwhoek en daar nieuwsgierig te zijn. Huishoek, zandtafel, verteltafel... het kan ons zoveel waardevolle informatie geven over wat kinderen al weten en over hoe zij het leven tegemoet gaan, vanuit welke leervoorkeur zij het leven leren. Alles wat de volwassene moet doen, is nieuwsgierig zijn en nog niet weten, niet interpreteren, alleen waarnemen.
En dat is lastig. Want veel volwassenen kijken vanuit hun eigen beperkte gezichtsveld, de groepsnormen, pedagogische overtuigingen, verwachtingen vanuit de directie of politiek.
Niets van dat helpt het kind dat het leven leert.
De kleuter die het leven leert, hoeft zich nog niet aan te passen aan de verwachtingen van de volwassenen.
Hij kan zich vaak ook nog niet aanpassen en dat is maar goed ook!
Het enige dat deze kleuter nodig heeft, is dat je hem helpt het leven te leren, te vertrouwen en te helpen begrijpen.
Wat zou het geweldig zijn voor diezelfde kleuter, als we zouden waarnemen wat zijn leerstijl is en hem daar op uitnodigen het leven te leren!
Abonneren op:
Posts (Atom)