Leren vallen, valt wel mee.
Ieder kind moet leren vallen. Letterlijk en figuurlijk.
Er zijn kinderen die in het hoogste klimrek klimmen om zich dan te realiseren dat ze ook weer naar beneden moeten. Je hebt kinderen die eerst een weg uitstippelen en dan stapje voor stapje doordacht naar boven gaan om op dezelfde wijze weer af te dalen. Er zijn ook kinderen die er niet eens aan beginnen, zij kijken even... maken een inschatting en besluiten niet te gaan.
Al deze kinderen moeten leren vallen, letterlijk. Vallen doet pijn, het zorgt voor kapotte knieën, schaafwonden en tranen. Soms valt het vallen mee. Kind valt, trekt een gezicht om vervolgens op te staan en veerkrachtig te roepen "valt wel mee hoor".
Leren vallen, valt wel mee.
Veel volwassenen zijn bang dat kinderen vallen. Letterlijk en figuurlijk.
De drie meest gebruikte uitspraken van een ouder zijn: "pas op", "kijk uit" en "doe voorzichtig".
Goed bedoelde uitspraken die weliswaar negatief geformuleerd, een goede intentie behelzen. Voorkomen dat een kind valt. Bijzonder eigenlijk dat we dit doen door taal te gebruiken die anders suggereert.
"Pas op... kijk uit... en doe voorzichtig."
Zo geven we dagelijks onze eigen angst mee aan onze kinderen.
De kinderen bovenin het klimrek zullen zich hier niet veel van aantrekken. Zij zijn immers al boven, het is al gelukt. Doeners, achteraf bedenkend dat het best hoog is. Zij zijn ook de kinderen die makkelijk vallen. Met makkelijk bedoel ik dat het kinderen zijn die dat gewoon doen, vallen. Kapotte knie, schaafwond, tranen en snot om vervolgens opnieuw het klimrek in te klimmen. Zij kunnen vallen en opstaan.
Andere kinderen bedenken van te voren dat ze kunnen vallen. Dit bepaalt mede of ze gaan klimmen of niet. Dat laatste heeft met zelfvertrouwen en behendigheid te maken.
Vallen is in de meeste gevallen makkelijk en iets dat je goed alleen kunt doen. Opstaan daarentegen, daar kun je als kind (en later als volwassene) best wat hulp bij gebruiken. Het is aan ons, volwassenen, om kinderen te stimuleren om hun grenzen te verleggen en te gaan klimmen.
Vallen doet pijn. Opstaan soms ook. Dan liever samen, leren vallen en opstaan.
donderdag 12 mei 2016
donderdag 28 januari 2016
Gewoon nee... altijd en overal.
In de praktijk komt hij bij mij omdat hij angsten heeft. School maakt zich zorgen. Hij kiest altijd voor veilig, vertrouwd, speelgoed dat hij al kent. Werkjes maakt hij niet, dat weigert hij. Best knap voor iemand met angsten. Blijkbaar is het werkje wèl maken nog enger dan de juf die dwingend naar je kijkt.
Bij mij speelt hij niet. Hij kijkt. Hij pakt speelgoed, houdt het vast... voelt en legt het terug. Precies zoals het lag.
Zijn ouders vertellen over hem. Over hoe hij 'nee' zegt op alles. 'Nee' tegen chocoladecake versieren, 'nee' tegen een ijsje halen. Nee, gewoon nee... altijd en overal.
Na twee sessies begint hij te vertellen aan mij. Over jongens in de klas die ruzie maken, schreeuwen en plagen. Niet tegen hem hoor, zegt hij, hij is namelijk onzichtbaar. Dat heeft hij geleerd. Ik zie het ook als hij in de praktijk rondloopt. Geluidloos, bijna op zijn tenen...
Als hij praat, is het een waterval aan woorden. Gespannen en met teveel kracht komt het eruit. Zijn stem klinkt broos. Zijn ogen branden in die van mij. Hij wil zo graag begrepen worden. Zijn ogen roepen...
Ik zie hem, hij mag er zijn. Op zijn manier, in zijn tempo.
Het kasteel dat hij bouwt laat veel zien. Ramen open, deuren open. Iedereen mag naar binnen. Ik plaats er wachters voor, echte ridders. Hij schiet ze neer en gooit er bommen op. Weg bewaking.
Er is een koning in het kasteel. Hij slaapt, zegt hij. Hij let nooit op en is geen baas. Het is een suffe koning.
Ik ben nieuwsgierig. Ik weet nog niet waarom de koning suf is. Ik weet nog niet hoe de koning zo suf is geworden.
In de tussentijd heb ik een hek om het kasteel gezet. Uit voorzorg. Een bordje eraan met 'niet betreden' en 'verboden'. Hij vond het overdreven, niet nodig ook... Het mag best stukgemaakt worden door andere kinderen, dat begrijpt hij wel, zegt hij. Ik niet, zeg ik, vandaar het hek.
Er komt een dag dat hij het ook begrijpt maar nu nog even niet.
donderdag 7 januari 2016
De stomste en de minst aardige...
Daar kwam ze binnen. Vijftien jaar, een groot meisje, een jonge vrouw.
Zwarte sweater met een skinny jeans. Capuchon op en haar lange blonde haren voor haar gezicht. Handen in haar mouwen verstopt en haar mobieltje prominent op de leuning van de stoel.
Kauwgom kauwend keek ze me aan. Ze vond me stom, zei ze. En ik zei dat dat oké was.
Ze ging zeker niet in therapie, dat was ook stom. Ze had wel een probleem... en nog een afspraak bij een collega, want ze bepaalde toch zeker zelf bij wie ze dat probleem op ging lossen. Ik gaf haar groot gelijk en wenste haar succes. "Laat het me maar weten als je wilt komen." Ik kreeg een vernietigende blik en ik keek naar haar met liefde.
Een week later kwam ze weer. Ze vertelde me allereerst dat ze me nog steeds stom vond en helemaal niet aardig. En ik zei dat ik dat wel begreep. Mijn collega was veel aardiger, vertelde ze, maar die was te lief... dat ging haar niet helpen. Ze had iemand nodig die haar probleem aankon en ze dacht dat ik dat was. De stomste en de minst aardige. Het was oké...
Dit grote meisje, deze jonge vrouw, verstopte zich in haar sweater. Ze beschermde zichzelf met zwarte kleren en zwarte make-up, met een boze blik en een enorme aandacht voor haar mobieltje.
En zo zaten we, soms kletsten we wat en soms waren we stil. Tussen de sessies door appte ze me soms met muziek die haar raakte en ik stuurde haar dan iets terug, een quote of gedicht.
Het meisje bewoog steeds meer naar voren en begon te vertellen over alles dat haar bezighield. Het groot worden, haar ouders, haar veranderende lijf, jongens... pff...
Langzaamaan kwam er kleur in haar leven. Het begon met haar lippen, er zat lipgloss op. Haar haar zat opeens anders en haar capuchon bleef af. Ze maakte oogcontact en hield haar mobiel in haar zak. Keek nog wel even als hij trilde maar er hoefde niet meer direct gereageerd te worden.
Na acht sessies was ze klaar. Ze vertelde het me opgewekt toen ze binnenkwam.
En ik... ik kan haar alleen maar dankbaar zijn voor het vertrouwen dat ze in zichzelf had om het aan te gaan en voor de nuances die ze aanbracht in de sessies... en in haar leven.
Monique Mooren
www.innerchild.nl
Daar kwam ze binnen. Vijftien jaar, een groot meisje, een jonge vrouw.
Zwarte sweater met een skinny jeans. Capuchon op en haar lange blonde haren voor haar gezicht. Handen in haar mouwen verstopt en haar mobieltje prominent op de leuning van de stoel.
Kauwgom kauwend keek ze me aan. Ze vond me stom, zei ze. En ik zei dat dat oké was.
Ze ging zeker niet in therapie, dat was ook stom. Ze had wel een probleem... en nog een afspraak bij een collega, want ze bepaalde toch zeker zelf bij wie ze dat probleem op ging lossen. Ik gaf haar groot gelijk en wenste haar succes. "Laat het me maar weten als je wilt komen." Ik kreeg een vernietigende blik en ik keek naar haar met liefde.
Een week later kwam ze weer. Ze vertelde me allereerst dat ze me nog steeds stom vond en helemaal niet aardig. En ik zei dat ik dat wel begreep. Mijn collega was veel aardiger, vertelde ze, maar die was te lief... dat ging haar niet helpen. Ze had iemand nodig die haar probleem aankon en ze dacht dat ik dat was. De stomste en de minst aardige. Het was oké...
Dit grote meisje, deze jonge vrouw, verstopte zich in haar sweater. Ze beschermde zichzelf met zwarte kleren en zwarte make-up, met een boze blik en een enorme aandacht voor haar mobieltje.
En zo zaten we, soms kletsten we wat en soms waren we stil. Tussen de sessies door appte ze me soms met muziek die haar raakte en ik stuurde haar dan iets terug, een quote of gedicht.
Het meisje bewoog steeds meer naar voren en begon te vertellen over alles dat haar bezighield. Het groot worden, haar ouders, haar veranderende lijf, jongens... pff...
Langzaamaan kwam er kleur in haar leven. Het begon met haar lippen, er zat lipgloss op. Haar haar zat opeens anders en haar capuchon bleef af. Ze maakte oogcontact en hield haar mobiel in haar zak. Keek nog wel even als hij trilde maar er hoefde niet meer direct gereageerd te worden.
Na acht sessies was ze klaar. Ze vertelde het me opgewekt toen ze binnenkwam.
En ik... ik kan haar alleen maar dankbaar zijn voor het vertrouwen dat ze in zichzelf had om het aan te gaan en voor de nuances die ze aanbracht in de sessies... en in haar leven.
Monique Mooren
www.innerchild.nl
zondag 31 mei 2015
Kinderkoffie.
"Doe mij maar koffie", zegt de achtjarige jongen in de praktijk. "Met melk en suiker, zoals mijn vader dat drinkt." Kinderkoffie.
De jongen roert aandachtig door zijn koffie, hij morst en veegt het met zijn mouw weer weg. Het lepeltje wordt op de rand van het kopje getikt en daarna naast het kopje gelegd. Deze jongen is een kei in observeren. Deze jongen heeft bij zijn vader afgekeken.
Hij wil later net als zijn vader worden. Hij is namelijk al helemaal zelf een hut aan het bouwen in de tuin. Of ik ook een keer langskom, dan mag ik in de hut.
De eerste keren zitten we keurig aan de tafel terwijl hij door zijn koffie roert. Tja, wat zullen we eens gaan doen? Geen idee.
We doen wat spelletjes, volgens de regels. We spelen met het zand, met de hark en de schep, nee niet met onze handen... dan worden we vies. We bekijken het speelgoed, vooral de legertanks. Hij vindt ze prachtig maar we spelen niet. Jammer... Ik wilde wel legertje spelen maar dat gaat niet want hij houdt niet van schieten. We zitten weer aan tafel, niet erop want dat mag niet... Wat zullen we nu gaan spelen? Geen idee.
De keer daarop komt hij binnen. Ik zet alvast koffie voor hem. Zodra ik het heb neergezet, tik ik hem aan. "Tikkie, jij bent hem." We doen tikkertje in de praktijk. Dan zet ik de deur open en gaan we verder op de gang. Wat een geluk dat ik twee deuren heb, we rennen in rondjes. Linksom en rechtsom, soms botsen we tegen elkaar. We komen andere mensen tegen. Ze lachen om ons. "Tikkie, jij bent hem..."
Na een tijdje ploffen we allebei neer op het kleed. De jongen kijkt blij, ik kan nu goed zien hoe jong hij eigenlijk nog is. We lachen. Hij lacht heel hard, ontlaadt... Hij heeft zoveel lol dat zijn moeder het hoort in de wachtruimte. Een lach die zij al veel te lang heeft gemist. Een prachtig hartverwarmend lachen. Heerlijk, hij kan bijna niet meer stoppen en rolt over de grond. Ik lach met hem mee.
En terwijl hij daar ligt te lachen, zeg ik dat zijn koffie koud is geworden. Hij zegt: "dat geeft niet, ik hou namelijk helemaal niet van koffie."
donderdag 19 februari 2015
Zolang je er bovenop zit, kan iemand niet groeien.
Het klinkt simpel. Het is ook simpel.
Toch maak ik in mijn praktijk voor kindertherapie en jongerencoaching zeer regelmatig mee dat ouders er bovenop zitten. Op het nest als het ware. Met de eierschalen en de jongen er nog in. Stel je eens voor dat je zo moet groeien... broertjes en zusjes in het nest, ouder er bovenop. Stel je eens voor dat je zo moet leren vliegen. Dat gaat dus niet.
En daar zit het probleem. Deze ouder beschermt zijn kroost vanuit liefde. Over-bescherming in de hoop te voorkomen dat het mis gaat. Het (op-)groeien dus... want dat kan mis gaan.
En dat is nu precies wat de ouder eigenlijk doet, onbedoeld weliswaar; zijn kroost de kans ontnemen om het mis te laten gaan. Fouten te maken, vele fouten. Stommiteiten uit te halen, consequenties in te schatten, verantwoordelijkheid te nemen... op te groeien. Met als gevolg dat het mis gaat, daar waar het de bedoeling was dat het goed zou gaan.
In mijn praktijk spreek ik bijna dagelijks met opgroeiende jongeren. Zij worstelen precies zoals gewoon is, met levensvragen. De betekenis van alles. De veelheid aan verwachtingen die er zijn. De toekomst. Faalangst, Groei-angst, letterlijke angst om groot te worden.
Deze jongeren hebben een grote gemeenschappelijke deler; de beschermende ouder die in alles 'het beste wil' voor zijn kind. Om dat te kunnen geven aan je kind, moet je eerst (her-)definiëren wat 'het beste is'.
Het beste is namelijk niet: het voorkomen van tegenslag, een fulltime geluksgevoel, in alles voorzien.
Zoals een puber in de praktijk dreigt weg te lopen van huis als ze geen iphone 6 krijgt. Of zoals een inmiddels voor de wet volwassene zijn ouders vraagt hem een huis te geven, dan zal hij vertrekken. Daar gaat het dus mis, althans... daar is het jaren eerder al mis gegaan. Want waar in dit verhaal heeft de betreffende jong volwassene geleerd over het leven zelf? Over dat niets vanzelfsprekend is? Over dat je niet het stralende middelpunt van de wereld bent? Over intrinsieke motivatie en het nemen van verantwoordelijkheid?
Zou het niet veel handiger geweest zijn, om erger te voorkomen, dat deze jongere al eerder het nest uit had gemogen? Figuurlijk... Om verder te kijken? Te leren vliegen en vooral ook te leren vallen, of bijna vallen?
Het zou er wellicht ook voor zorgen dat deze jong volwassene zijn ouders ook meer zou toevertrouwen. Meer zou delen over zijn leven. Want wat deze ouder vaak niet weet, is dat het kroost een andere uitgang heeft gevonden om uit het nest te komen. En dat er zich een heel leven buiten het nest afspeelt, zonder dat de ouder dat weet. En nog erger... zonder dat het kroost goed voorbereid is om daarmee om te gaan.
Als er onder in het nest een gat wordt gemaakt om toch dat eigen leven te leiden, is de kans om te vallen vele malen groter.
Voorbereiding dus op het leven zelf... dat is wat nodig is om te groeien.
Of zoals de jong volwassene die nu eindelijk een baantje moest vinden van zijn ouders en daar volkomen vrij in werd gelaten (want 18 jaar geworden en vanaf vandaag regel je het maar zelf), als barkeeper op een fetisj- feest terecht kwam en niet wist wat hem overkwam. Dat is vast niet wat deze ouders voor ogen hadden toen ze hem goedbedoeld eindelijk het nest uitduwden nadat ze er 18 jaar bovenop hadden gezeten.
Leren vliegen kost tijd en niet alleen voor degene die vliegt.
Het klinkt simpel. Het is ook simpel.
Toch maak ik in mijn praktijk voor kindertherapie en jongerencoaching zeer regelmatig mee dat ouders er bovenop zitten. Op het nest als het ware. Met de eierschalen en de jongen er nog in. Stel je eens voor dat je zo moet groeien... broertjes en zusjes in het nest, ouder er bovenop. Stel je eens voor dat je zo moet leren vliegen. Dat gaat dus niet.
En daar zit het probleem. Deze ouder beschermt zijn kroost vanuit liefde. Over-bescherming in de hoop te voorkomen dat het mis gaat. Het (op-)groeien dus... want dat kan mis gaan.
En dat is nu precies wat de ouder eigenlijk doet, onbedoeld weliswaar; zijn kroost de kans ontnemen om het mis te laten gaan. Fouten te maken, vele fouten. Stommiteiten uit te halen, consequenties in te schatten, verantwoordelijkheid te nemen... op te groeien. Met als gevolg dat het mis gaat, daar waar het de bedoeling was dat het goed zou gaan.
In mijn praktijk spreek ik bijna dagelijks met opgroeiende jongeren. Zij worstelen precies zoals gewoon is, met levensvragen. De betekenis van alles. De veelheid aan verwachtingen die er zijn. De toekomst. Faalangst, Groei-angst, letterlijke angst om groot te worden.
Deze jongeren hebben een grote gemeenschappelijke deler; de beschermende ouder die in alles 'het beste wil' voor zijn kind. Om dat te kunnen geven aan je kind, moet je eerst (her-)definiëren wat 'het beste is'.
Het beste is namelijk niet: het voorkomen van tegenslag, een fulltime geluksgevoel, in alles voorzien.
Zoals een puber in de praktijk dreigt weg te lopen van huis als ze geen iphone 6 krijgt. Of zoals een inmiddels voor de wet volwassene zijn ouders vraagt hem een huis te geven, dan zal hij vertrekken. Daar gaat het dus mis, althans... daar is het jaren eerder al mis gegaan. Want waar in dit verhaal heeft de betreffende jong volwassene geleerd over het leven zelf? Over dat niets vanzelfsprekend is? Over dat je niet het stralende middelpunt van de wereld bent? Over intrinsieke motivatie en het nemen van verantwoordelijkheid?
Zou het niet veel handiger geweest zijn, om erger te voorkomen, dat deze jongere al eerder het nest uit had gemogen? Figuurlijk... Om verder te kijken? Te leren vliegen en vooral ook te leren vallen, of bijna vallen?
Het zou er wellicht ook voor zorgen dat deze jong volwassene zijn ouders ook meer zou toevertrouwen. Meer zou delen over zijn leven. Want wat deze ouder vaak niet weet, is dat het kroost een andere uitgang heeft gevonden om uit het nest te komen. En dat er zich een heel leven buiten het nest afspeelt, zonder dat de ouder dat weet. En nog erger... zonder dat het kroost goed voorbereid is om daarmee om te gaan.
Als er onder in het nest een gat wordt gemaakt om toch dat eigen leven te leiden, is de kans om te vallen vele malen groter.
Voorbereiding dus op het leven zelf... dat is wat nodig is om te groeien.
Of zoals de jong volwassene die nu eindelijk een baantje moest vinden van zijn ouders en daar volkomen vrij in werd gelaten (want 18 jaar geworden en vanaf vandaag regel je het maar zelf), als barkeeper op een fetisj- feest terecht kwam en niet wist wat hem overkwam. Dat is vast niet wat deze ouders voor ogen hadden toen ze hem goedbedoeld eindelijk het nest uitduwden nadat ze er 18 jaar bovenop hadden gezeten.
Leren vliegen kost tijd en niet alleen voor degene die vliegt.
maandag 3 juni 2013
Samen spelen, samen delen.
In de kinderopvang en het onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van nietszeggende mantra's. Ze komen voort uit aantrekkelijke korte rijmteksten die zo makkelijk blijven 'hangen' bij de kinderen.
'Samen spelen, samen delen', is er ook zo een.
Als je de ontwikkelingspsychologie er op na leest, dan ontdek je al snel dat het jonge kind (lees; t/m ongeveer 5 a 6 jaar) niet samen hoeft te delen omdat de ontwikkeling tot dan toe daar niet op gericht is.
De ontwikkeling van het jonge kind is namelijk gericht op zichzelf en dat is goed! 'Dit ben ik, dat hoort bij mij, dat is mijn broer, mijn fiets, mijn appel... Mijn'!
De ontwikkeling is er ook op gericht om een ik-ander differentiatie op gang te brengen. M.a.w. 'dat is van mij en dat is van jou'. Daar kun je als jong kind een geheel eigen interpretatie van hebben en ook dat klopt met de gemiddelde ontwikkeling.
Een mooi voorbeeld hiervan is een meisje van 4 bij de kleuters dat in de kring wil kiezen waar ze gaat spelen. Al snel is de bouwhoek bezet. Zij reageert met: "dat kan niet want daar ga ik al in". Zij had in de kring reeds bedacht dat zij daar ging spelen, al voordat juf het vroeg. In haar beleving is dat de werkelijkheid. In haar werkelijkheid kan de bouwhoek niet bezet zijn zonder haar want dat had zij bedacht. Iets kan dus van haar zijn, zonder dat ze dat hardop deelt.
Vervolgens is het logisch dat dit jonge meisje in die bouwhoek naast een ander kindje zit te spelen en dat deze 2 kinderen zich helemaal niet bemoeien met elkaar. Na afloop zal ze zeggen dat ze leuk heeft gespeeld met het betreffende kindje. Zo werkt dat ook als je 2 bent of 3 of 4 (of 5 of 6).
Samen spelen, samen delen is gericht op het uitnodigen tot samenspel en op het voorkomen van conflicten. Met dit laatste ontneem je het kind een uitgelezen, prachtige kans om te laten weten aan een ander dat hij/zij het oneens is met iets. 'Ik was er eerst mee', of 'jij mag daar niet mee want ik heb deze van Sinterklaas gehad en jij niet', 'ik wil niet met jou spelen, ik vind jou stom'. Volkomen gezond gedrag.
Overigens vind ik het ook heel gezond gedrag als je ouder bent. Alleen als je ouder wordt, verandert het samen delen, of juist niet, in een keuzemogelijkheid die je hebt. Je kunt delen maar je hoeft het niet te doen. Het is belangrijk om als kind al vroeg te leren je grenzen aan te geven en tijdig je 'hekje' neer te zetten. Op die manier loopt een ander niet je metaforische tuintje plat.
Ouders vinden dat meestal ingewikkeld. Zij vinden dat je de ander niet stom mag vinden en dat je je allermooiste speelgoed moet delen met je broertje. Hiermee lijkt het alsof ze dat zelf ook willen, de ouders, dat samen spelen, samen delen. Heb je net de nieuwste telefoon, moet je hem delen met de buurvrouw. Of de lease-auto waar je een jaar op hebt gewacht, daar wil jouw broer ook even in rijden. Tja... lastig.
Ouders handelen vaak d.m.v. aangeleerd gedrag vanuit een pedagogische kijk naar 'het kind', denk aan opvoedprogramma's, consultatiebureau's, kinderopvang en onderwijs. Pedagogische adviezen die ouders leren 'hoe het hoort'. Ouders zouden vaker nee kunnen zeggen, net als hun kind... krijgen ze zelfvertrouwen van! En dat is volkomen gezond gedrag.
In de kinderopvang en het onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van nietszeggende mantra's. Ze komen voort uit aantrekkelijke korte rijmteksten die zo makkelijk blijven 'hangen' bij de kinderen.
'Samen spelen, samen delen', is er ook zo een.
Als je de ontwikkelingspsychologie er op na leest, dan ontdek je al snel dat het jonge kind (lees; t/m ongeveer 5 a 6 jaar) niet samen hoeft te delen omdat de ontwikkeling tot dan toe daar niet op gericht is.
De ontwikkeling van het jonge kind is namelijk gericht op zichzelf en dat is goed! 'Dit ben ik, dat hoort bij mij, dat is mijn broer, mijn fiets, mijn appel... Mijn'!
De ontwikkeling is er ook op gericht om een ik-ander differentiatie op gang te brengen. M.a.w. 'dat is van mij en dat is van jou'. Daar kun je als jong kind een geheel eigen interpretatie van hebben en ook dat klopt met de gemiddelde ontwikkeling.
Een mooi voorbeeld hiervan is een meisje van 4 bij de kleuters dat in de kring wil kiezen waar ze gaat spelen. Al snel is de bouwhoek bezet. Zij reageert met: "dat kan niet want daar ga ik al in". Zij had in de kring reeds bedacht dat zij daar ging spelen, al voordat juf het vroeg. In haar beleving is dat de werkelijkheid. In haar werkelijkheid kan de bouwhoek niet bezet zijn zonder haar want dat had zij bedacht. Iets kan dus van haar zijn, zonder dat ze dat hardop deelt.
Vervolgens is het logisch dat dit jonge meisje in die bouwhoek naast een ander kindje zit te spelen en dat deze 2 kinderen zich helemaal niet bemoeien met elkaar. Na afloop zal ze zeggen dat ze leuk heeft gespeeld met het betreffende kindje. Zo werkt dat ook als je 2 bent of 3 of 4 (of 5 of 6).
Samen spelen, samen delen is gericht op het uitnodigen tot samenspel en op het voorkomen van conflicten. Met dit laatste ontneem je het kind een uitgelezen, prachtige kans om te laten weten aan een ander dat hij/zij het oneens is met iets. 'Ik was er eerst mee', of 'jij mag daar niet mee want ik heb deze van Sinterklaas gehad en jij niet', 'ik wil niet met jou spelen, ik vind jou stom'. Volkomen gezond gedrag.
Overigens vind ik het ook heel gezond gedrag als je ouder bent. Alleen als je ouder wordt, verandert het samen delen, of juist niet, in een keuzemogelijkheid die je hebt. Je kunt delen maar je hoeft het niet te doen. Het is belangrijk om als kind al vroeg te leren je grenzen aan te geven en tijdig je 'hekje' neer te zetten. Op die manier loopt een ander niet je metaforische tuintje plat.
Ouders vinden dat meestal ingewikkeld. Zij vinden dat je de ander niet stom mag vinden en dat je je allermooiste speelgoed moet delen met je broertje. Hiermee lijkt het alsof ze dat zelf ook willen, de ouders, dat samen spelen, samen delen. Heb je net de nieuwste telefoon, moet je hem delen met de buurvrouw. Of de lease-auto waar je een jaar op hebt gewacht, daar wil jouw broer ook even in rijden. Tja... lastig.
Ouders handelen vaak d.m.v. aangeleerd gedrag vanuit een pedagogische kijk naar 'het kind', denk aan opvoedprogramma's, consultatiebureau's, kinderopvang en onderwijs. Pedagogische adviezen die ouders leren 'hoe het hoort'. Ouders zouden vaker nee kunnen zeggen, net als hun kind... krijgen ze zelfvertrouwen van! En dat is volkomen gezond gedrag.
maandag 4 maart 2013
Stop hou op.
Op veel scholen wordt er een soort mantra aangeleerd als het gaat om grenzen aan geven. Veel kinderen roepen "stop hou op, ik wil het niet".
Dit begint bij de kleuters. Juf leert het kind om "stop hou op ik wil het niet", te zeggen.
Bij een observatie in een kleuterklas hoor ik links en rechts kinderen dit zeggen. Als ik kijk naar wat er eigenlijk gebeurd, dan zie ik een jongetje dat per ongeluk op de verkeerde plek is gaan zitten, hij zoekt een plekje. Ik zie een meisje dat aan een ketting van een ander meisje komt, ze raakt het voorzichtig aan, ze vindt het mooi. Beide kinderen worden beantwoord met een "stop hou op ik wil het niet". Het jongetje schrikt en gaat snel op een andere plek zitten, is dit het goede stoeltje?
Het meisje laat snel de ketting los, had ze het soms stuk gemaakt? Haar lip trilt.
Er is een slogan ontstaan, een rijmzinnetje (handig voor de inprenting) dat op sociaal wenselijke wijze wordt ingezet en geautomatiseerd. "Hoor eens juf, hoe goed ik 'stop hou op' zeg".
In het tafereel dat ik waarneem, ontbreekt iedere interactie, er is geen oogcontact, geen dialoog. Alleen die woorden...
Welke betekenis hebben de woorden 'stop hou op' als een kind leert deze te gebruiken bij alles dat hij niet wil?
Want wat wil het kind dan precies niet? En weet dat kind dat eigenlijk zelf al, of is de eerste aangeleerde reactie gewoon om deze mantra uit te spreken... uit automatisme.
Ik schat in dat die oudste kleuter begrip had voor het jongetje dat net op school was en per ongeluk het verkeerde stoeltje koos. Ik vermoed ook dat het meisje trots was op haar kettinkje en blij was dat haar vriendinnetje het ook mooi vond. En terwijl de woorden die gesproken werden 'stop hou op', lege woorden waren... gebeurde er toch iets vervelends. Beide kinderen voelden zich zichtbaar te kort gedaan en afgewezen.
Hoe anders had dat kunnen zijn als er eerst oogcontact was gemaakt. Zie je mij? Ja, ik zie jou. Oké. Je bent op het verkeerde stoeltje gaan zitten, dit is mijn plek. Daar is jouw plek.
Zie je mij? Ja, ik zie jou. Deze ketting is nieuw, mooi hè. Ja. Wil je er afblijven alsjeblieft? Ja.
Resultaat is hetzelfde; andere plek, niet aan de ketting komen... Echter het jongetje en het meisje zijn nog dezelfde kinderen als daarvoor.
Dat de 'stop hou op' regel nietszeggend kan zijn, heb ik ook in mijn praktijk meegemaakt.
Een jongen van 10 jaar was op school belaagd door drie andere jongens. Hij had geschreeuwd, gehuild, 'nee' gezegd... steeds weer. Hij was echter 1 mantra vergeten, hij had geen 'stop hou op' gezegd.
De jongens die hem belaagden, waren geconditioneerd, getraind, op deze woorden. Ze hadden het niet gehoord en hij had het ook niet gezegd. "Als hij dat gezegd zou hebben, dan waren we zeker gestopt", zeiden ze later tegen de leerkracht.
Hoe anders was het geweest als deze jongens, zijn klasgenoten nota bene, hadden gekeken naar het gezicht van deze jongen, naar de emotie... waren ze dan doorgegaan? Wat als ze zijn 'nee' hadden gehoord en de wanhoop in zijn stem. Was het dan anders geweest?
Had het een verschil gemaakt?
Voor deze jongen wel. Nu was hij de jongen die belaagd was èn ook de jongen die niet duidelijk was geweest. Hij had gewoon 'stop hou op' moeten zeggen...
'Hoe stom kun je zijn?' En hoe stom kun je je voelen?
'Dat je zelfs dat niet hebt gedaan, terwijl je dat al vanaf de kleuters hebt meegekregen.'
Afgewezen voelt hij zich, niet gezien... en zeker niet gehoord.
Eindeloos kunnen we doorgaan met het aanleren van cognitieve gedragsaspecten. De ene mantra nog mooier dan de ander: 'samen spelen, samen delen', 'stop hou op ik wil het niet' en: 'Als je niets aardigs kunt zeggen, zeg dan niets'.
Laten we weer naar het kind gaan kijken, nieuwsgierig worden naar zijn gedachten, gevoelens en zijn handelen. Laten we het kind weer zien zoals hij is, met zijn eigen manier van communiceren, zodat we hier van kunnen leren.
Want: 'van communiceren kun je leren'. Klinkt al een stuk beter.
Op veel scholen wordt er een soort mantra aangeleerd als het gaat om grenzen aan geven. Veel kinderen roepen "stop hou op, ik wil het niet".
Dit begint bij de kleuters. Juf leert het kind om "stop hou op ik wil het niet", te zeggen.
Bij een observatie in een kleuterklas hoor ik links en rechts kinderen dit zeggen. Als ik kijk naar wat er eigenlijk gebeurd, dan zie ik een jongetje dat per ongeluk op de verkeerde plek is gaan zitten, hij zoekt een plekje. Ik zie een meisje dat aan een ketting van een ander meisje komt, ze raakt het voorzichtig aan, ze vindt het mooi. Beide kinderen worden beantwoord met een "stop hou op ik wil het niet". Het jongetje schrikt en gaat snel op een andere plek zitten, is dit het goede stoeltje?
Het meisje laat snel de ketting los, had ze het soms stuk gemaakt? Haar lip trilt.
Er is een slogan ontstaan, een rijmzinnetje (handig voor de inprenting) dat op sociaal wenselijke wijze wordt ingezet en geautomatiseerd. "Hoor eens juf, hoe goed ik 'stop hou op' zeg".
In het tafereel dat ik waarneem, ontbreekt iedere interactie, er is geen oogcontact, geen dialoog. Alleen die woorden...
Welke betekenis hebben de woorden 'stop hou op' als een kind leert deze te gebruiken bij alles dat hij niet wil?
Want wat wil het kind dan precies niet? En weet dat kind dat eigenlijk zelf al, of is de eerste aangeleerde reactie gewoon om deze mantra uit te spreken... uit automatisme.
Ik schat in dat die oudste kleuter begrip had voor het jongetje dat net op school was en per ongeluk het verkeerde stoeltje koos. Ik vermoed ook dat het meisje trots was op haar kettinkje en blij was dat haar vriendinnetje het ook mooi vond. En terwijl de woorden die gesproken werden 'stop hou op', lege woorden waren... gebeurde er toch iets vervelends. Beide kinderen voelden zich zichtbaar te kort gedaan en afgewezen.
Hoe anders had dat kunnen zijn als er eerst oogcontact was gemaakt. Zie je mij? Ja, ik zie jou. Oké. Je bent op het verkeerde stoeltje gaan zitten, dit is mijn plek. Daar is jouw plek.
Zie je mij? Ja, ik zie jou. Deze ketting is nieuw, mooi hè. Ja. Wil je er afblijven alsjeblieft? Ja.
Resultaat is hetzelfde; andere plek, niet aan de ketting komen... Echter het jongetje en het meisje zijn nog dezelfde kinderen als daarvoor.
Dat de 'stop hou op' regel nietszeggend kan zijn, heb ik ook in mijn praktijk meegemaakt.
Een jongen van 10 jaar was op school belaagd door drie andere jongens. Hij had geschreeuwd, gehuild, 'nee' gezegd... steeds weer. Hij was echter 1 mantra vergeten, hij had geen 'stop hou op' gezegd.
De jongens die hem belaagden, waren geconditioneerd, getraind, op deze woorden. Ze hadden het niet gehoord en hij had het ook niet gezegd. "Als hij dat gezegd zou hebben, dan waren we zeker gestopt", zeiden ze later tegen de leerkracht.
Hoe anders was het geweest als deze jongens, zijn klasgenoten nota bene, hadden gekeken naar het gezicht van deze jongen, naar de emotie... waren ze dan doorgegaan? Wat als ze zijn 'nee' hadden gehoord en de wanhoop in zijn stem. Was het dan anders geweest?
Had het een verschil gemaakt?
Voor deze jongen wel. Nu was hij de jongen die belaagd was èn ook de jongen die niet duidelijk was geweest. Hij had gewoon 'stop hou op' moeten zeggen...
'Hoe stom kun je zijn?' En hoe stom kun je je voelen?
'Dat je zelfs dat niet hebt gedaan, terwijl je dat al vanaf de kleuters hebt meegekregen.'
Afgewezen voelt hij zich, niet gezien... en zeker niet gehoord.
Eindeloos kunnen we doorgaan met het aanleren van cognitieve gedragsaspecten. De ene mantra nog mooier dan de ander: 'samen spelen, samen delen', 'stop hou op ik wil het niet' en: 'Als je niets aardigs kunt zeggen, zeg dan niets'.
Laten we weer naar het kind gaan kijken, nieuwsgierig worden naar zijn gedachten, gevoelens en zijn handelen. Laten we het kind weer zien zoals hij is, met zijn eigen manier van communiceren, zodat we hier van kunnen leren.
Want: 'van communiceren kun je leren'. Klinkt al een stuk beter.
Abonneren op:
Posts (Atom)